Note 1 — Hoofdstuk VII. De Legende in de Japansche Kunst.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
Het is nauwelijks minder schrikwekkend, geesten, spoken en andere bovennatuurlijke wezens op een Japansche schilderij te ontmoeten. Wij vinden geesten met lange halzen, die vreeselijk glurende gezichten te dragen hebben. Hun hals is zóó lang, dat het schijnt, alsof het spookachtige hoofd over alles heen en in alles kan zien met een duivelsch en ontzettend genot. De ghoul, die in de Japansche kunst wordt voorgesteld als een kind van drie jaar, heeft rossig bruin haar, en zeer lange ooren, en wordt dikwijls geschilderd als bezig met het eten van de nieren van lijken. Het afgrijselijke wordt in dit gedeelte der Japansche kunst tot bijna in het ondragelijke op den voorgrond gebracht, en de voorstelling, die een nog levend Japansch kunstenaar ons geeft van een optocht van geesten, is zóó akelig en weerzinwekkend, dat wij dien optocht zeker niet gaarne zouden tegenkomen op het midden van den dag, en dus nog veel minder in het holle van den duisteren nacht.1