← Table of contents
Mythen & Legenden van Japan

Note 3 — Hoofdstuk V. Legenden over vossen.

B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation

“De Steen des Doods staat in ’t moeras Bij wintersneeuw en zomergloed; Het mos, dat hem bedekt, wordt grijs, Toch zwerft de demon daar nog rond.”

“Kil waait de wind, en boven het moeras Klinkt in het woud der uilen heesch gekras. En onder de chrysanthemums, beneden, Daar loert de vos, weergalmt van jakhals het geklaag, Als over het moeras het herfstlicht gaat omlaag.”

Naar B.H. Chamberlain.

De Buddha-priester Genno kwam na een langdurige, moeilijke reis naar het moeras van Nasu, en was juist van plan, te gaan rusten onder de schaduw van een grooten steen, toen een geest plotseling te voorschijn kwam, en sprak: “Rust niet onder dezen steen. Dit is de Steen des Doods. Mannen, vogels en dieren zijn omgekomen, alleen maar door hem aan te raken!”

Die geheimzinnige woorden ter waarschuwing wekten natuurlijk de nieuwsgierigheid van Genno op, en hij verzocht, dat de geest hem het genoegen zou doen, de geschiedenis van den Steen des Doods te verhalen.

De geest begon toen aldus: “Lang geleden was er een schoone maagd, die aan het Japansche Hof leefde. Zij was zóó bekoorlijk, dat zij het Juweeltje werd genoemd. Haar wijsheid evenaarde haar schoonheid, zij verstond toch de Buddhistische wetenschappen en de leer van Confucius, de wetenschap en de poëzie van China.”

“Zoo, door natuur en kunst met schoonheid rijk belaân, Biedt haar de Keizer zelf zijn trouwe liefde aan.”

Naar B.H. Chamberlain.

“Op zekeren nacht,” zoo vervolgde de geest, “gaf de Mikado een groot feest in het Zomerpaleis, en daar verzamelde hij het vernuft, de wijsheid en de schoonheid van het geheele land. Het was een schitterend gezelschap, maar terwijl de gasten aten en dronken, onder het hooren van de tonen van liefelijke muziek, verspreidde zich duisternis over de groote zaal. Zwarte wolken ijlden door de lucht en er was geen enkele ster te bekennen. Terwijl de gasten verstijfd van vrees ter neder zaten, verhief zich een geheimzinnige wind. Hij gierde door het Zomerpaleis en waaide al de lantarens uit. De volkomen duisternis deed een paniek ontstaan, en gedurende de verwarring riep één der aanwezigen: ‘Een licht, een licht!’”

Er straalt van ’s meisjes schoon gezicht Een tooverachtig, schitt’rend licht! ’t Groeit aan en vult de keizerlijke zalen; Verlicht paneelen en de schermen met zijn stralen.— Het vroeger somber duister van den nacht Straalt als de volle maan in al haar pracht.

Naar B.H. Chamberlain.

“Van dat oogenblik af werd de Mikado sukkelend”, zoo vervolgde de geest. “Hij werd zóó ziek, dat de Hoftoovenaar ontboden werd, en die verdienstelijke man ontdekte spoedig, wat de oorzaak was van de ziekte van Zijne Majesteit. Met de kracht eener gevestigde overtuiging verklaarde hij, dat het Juweeltje een ontuchtige vrouw en een duivelin was, die met listige kunsten ’s Keizers hart gevangen nam, om den staat te gronde te richten.

“De woorden van den Toovenaar veranderden de liefde van den Mikado voor het Juweeltje in vurigen haat. Toen die toovenares met verachting bejegend werd, nam zij haar oorspronkelijke gedaante aan, en wel die van een vos, terwijl zij wegliep naar dezen steen in het moeras van Nasu.”

De priester aanschouwde den geest met critischen blik. “Wie zijt gij?” sprak hij eindelijk.

“Ik ben de kwade geest, die eertijds huisde in de borst van het Juweeltje! Ik woon nu voor eeuwig in den Steen des Doods”.

De Mikado en het “Juweeltje”
De Mikado en het “Juweeltje”

De Mikado en het “Juweeltje”

De goede Genno was vreeselijk verschrikt door die ontzettende bekentenis, maar daar hij zich zijn plicht als priester herinnerde, zeide hij: “Hoewel gij in goddeloosheid laag gezonken zijt, zult gij weer tot deugd opstijgen. Neem dit priestergewaad en dezen bedelnap, en laat mij u in den vorm van een vos zien.”

Daarop riep de booze geest op smartelijken toon:

“In het schitt’rend zonnelicht Houd ik schuil mijn aangezicht, Als Asama’s bleeke gloed: Met den nacht zal ’k hier weer zijn, Schuld bekennend, ’t hart vol pijn, Reine wenschen in ’t gemoed.”

Naar B.H. Chamberlain.

Na dit gezegd te hebben, verdween de geest plotseling.

Genno liet zijn goede voornemens niet varen. Nog vuriger dan ooit te voren streefde hij naar de redding van die dwalende ziel. Opdat zij Nirvana mocht bereiken, offerde hij bloemen, brandde hij wierook, en zegde hij de heilige Geschriften op, vóór den steen staande.

Toen Genno die godsdienstige plichten had vervuld, zeide hij: “Geest van den Steen des Doods, ik bezweer u! wat is er geschied in een vroegere wereld, dat gij in deze wereld een zoo valsche gedaante hebt aangenomen?”

Plotseling spleet de Steen des Doods uiteen en verscheen de geest weder onder den uitroep:

“In steenen zijn geesten, Een stem klinkt in ’t water; De winden, zij loeien door ’t hemelgewelf!”

Naar B.H. Chamberlain.

Genno zag een bleeken lichtglans in zijn nabijheid, en in dat licht ontdekte hij een vos, die plotseling in een schoone maagd veranderde.

De geest van den Steen des Doods sprak nu aldus: “Ik ben het, die eertijds, in Ind, de booze geest was, wien Prins Hazoku eer bewees... In Groot Cathay nam ik den vorm aan van Hōji, de echtgenoote van Keizer Iuwao; en in het Hof der Rijzende Zon werd ik het vlekkelooze Juweeltje, de bijzit van Keizer Toba.”

De geest bekende Genno, dat zij in den vorm van het Juweeltje verderf had willen brengen aan de Keizerlijke dynastie. “Reeds”, zoo sprak de geest, “maakte ik mijn plannen, overlegde ik, hoe ik den Mikado kon doen sterven, en ik zou in mijn plannen zijn geslaagd, als niet de Hoftoovenaar met zijn bovennatuurlijke macht had ingegrepen. Zooals ik u verhaalde, werd ik van het Hof verdreven. Ik werd vervolgd door honden en pijlen, en zonk eindelijk uitgeput in den Steen des Doods. Van tijd tot tijd zwierf ik over het moeras. Nu heeft Buddha medelijden met mij gehad, en hij heeft zijne priesters gezonden, om den weg naar den waren godsdienst aan te wijzen en vrede te brengen”.

De legende besluit met de volgende vrome woorden, geuit door den nu berouwvollen geest:

“Hoor, man van God, den eed, den duren eed, dien ’k zweer, Aan u, wiens zegening mij naar den hemel voert, Den eed, dien ’k houden zal, wat ook mijn hart beroert, Vast, als de Steen des Doods, hier in het drassig meer. Ik zweer, dat ’k voortaan leef als kind der deugd alleen! Zoo sprak de geest, nu maagd, toen ze in ’t moeras verdween.”

Naar B.H. Chamberlain

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings