← Table of contents
Moeder en kind

Note 2 — HET KIND.

Reading edition

Volgens Preyer2, wien wij een aantal zorgvuldige onderzoekingen en opmerkingen danken met betrekking tot verschijnselen, die zich bij het pasgeboren kind, den zuigeling en ook gedurende de verdere ontwikkeling van het kind voordoen, en aan wien wij het nu volgende ontleenden, kan het kind onmiddellijk of weinige minuten, hoogstens uren, na de geboorte licht en donker onderscheiden. Het sluit de oogen snel en krampachtig wanneer het lichtschijnsel op het gelaat en in de oogen valt, waarbij kan opgemerkt worden, dat de pupil-reactie in de eerste uren na de geboorte reeds tot stand komt. Die reactie bestaat daarin, dat, bij invallen van het lichtschijnsel, het zwarte plekje in het oog, de zoogenaamde pupil, kleiner, bij verwijdering van het licht, dus in de duisternis, grooter wordt. Slapende zuigelingen worden, na eenige dagen levens, onaangenaam aangedaan door op het gelaat vallend lichtschijnsel, zooals blijkt uit het vast toeknijpen der oogen; velen worden zelfs onrustig of ontwaken. De lichtschuwheid is in den beginne, na het ontwaken en na oponthoud in donker, groot, doch spoedig wordt schemerlicht gezocht en werkt dus in geen geval onaangenaam. Na eenige dagen doet gewoon daglicht of een lichtend voorwerp aangenaam aan, de lichtschuwheid vermindert. Het bewegen van het hoofd in de schemering b.v. naar het venster of naar het licht toe, dat van den zesden dag af is waar te nemen, geschiedt dus niet omdat het kind ziet, maar omdat het door het lichtschijnsel eene aangename gewaarwording ondervindt. Hetzelfde doet het kind bij het naderen van de warme moederborst. Zelfs in donker zal de zuigeling iets onaangenaams gevoelen als men zijn hoofdje daarvan afwendt. De hoofdbeweging, naar het licht toe, is dus niet op te vatten als eene willekeurige richting van den blik. Fixeeren kan het pasgeboren kind niet, omdat het niet in staat is de oogspieren willekeurig te bewegen. Als men meent waar te nemen, dat het kind den blik b.v. naar de vlam eener kaars gericht houdt, is dat geen fixeeren doch staren, want de richting van zijn blik verandert niet, het staren houdt niet op, als men de kaarsvlam verwijdert. Voor den tienden dag heeft men geen eigenlijke fixatie-bewegingen waargenomen. Daarna begint het kind het hoofd van het eene verlichte voorwerp naar het andere te bewegen; van den 23en dag, meestal nog later, begint het, bij rustig gehouden hoofd, een langzaam bewogen voorwerp met de oogen te volgen. Dan kan men van zien spreken, maar nog niet van fixeeren, al drukt ook het gelaat reeds eenige intelligentie uit. Nog later volgt dan het vermogen om voorwerpen met het oog te volgen. Zien, in de eigenlijke beteekenis van het woord, kan het kind in de eerste weken dus niet.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings