Note 5 — INDRUKKEN VAN DEN DAG.
Reading edition
(Noot van 1865). ’t Is om jaloers te worden op China! Daar immers zou voor den naïven menschenvriend hoop kunnen bestaan op verbetering, indien hy slagen mocht in ’t doordringen tot den Keizer, die slechts bedrogen is door «leugenachtige rapporten» en misschien zich zou verplicht voelen iets te doen tot herstel, indien men hem het leugenachtige van die rapporten had aangetoond. Ik denk dat de drukpers in China niet vry is. Dit is ’n bemoedigend denkbeeld voor ’n chineeschen menschenvriend. Hy kan zich troosten met de gedachte: Als de Keizer ’t wist, wie weet òf er geen recht geschiedde!
Maar wat men te denken hebbe van ’n land, waar de gansche Natie rilt, zonder dat iemand ’n hand uitsteekt tot herstel, ook hy niet, die volgens alle mogelyke grondwetten van eerlykheid en menschelyk gevoel zou geroepen zyn om z’n onderdanen geluk te geven zooveel in z’n vermogen is ... och, ’t is te verdrietig om er aan te denken.
Wat helpt een vrye drukpers, als men niet leest? Wat helpt het lezen, als men slechts rilt? Wat helpt het rillen, als men niet handelt?
Maar ik dacht hieraan niet, toen ik den Havelaar schreef! Ik bedroog my met de Chineesche hoop: dat het «Keizerlyk kabinet» bedrogen was door valsche rapporten, en met dankbaarheid de gelegenheid zou aangrypen om eens iets wáárs te nemen.
Ik heb ’t niet verder kunnen brengen dan den minister Thorbecke te dwingen tot de erkenning: dat er besmetting heerschte in de politiek van den Staat.” Zoo’n verklaring is niet zeer aangenaam voor den patiënt! Vooral wanneer hy daarna zoo zorgvuldig wordt verpleegd ter genezing, als we na ’t oprichten van de liberale malzapotheek ondervonden hebben! Ik ben zoo vry te gelooven dat er zelfs in China iets anders zou gevolgd zyn op zoo’n rilling, dan ’t verruilen alleen van m’nheer Malz-Bruggeman, tegen m’nheer Malz-Hof en konsorten.