Note 1 — Jachtslot Het Loo.
Reading edition
»Zou het oord misdeeld zijn, waar de rivier tusschen bloemhoven en lustwaranden kronkelt, waar de duinbeek onder het eikenloof ruischt, en de nachtegaal uit de bloeiende meidoorn zingt!—Schaduw en lommer is, ook na den val der oude bosschen, nog immer in Holland overvloedig onder boomen van allerhande soort: want ook hier vertoont zich de bevallige verscheidenheid, en onze herfst pronkt even zeer met het late groen der eiken, als onze lente met het vroege loof van olmen, beuken, linden. Waait ons van deze laatsten in den zomer een welriekende balsemgeur toe—niet minder streelt ons in het voorjaar de balsemgeur der voor den daauw zich openende berkenknoppen.—Naast de hooggetopte boomen onzer dreven tiert weelderig het lager houtgewas, met veelvuldige schakeering van elzen- en esschen- en berken- en eikenloof, in bosschen, die voor de bijl der houthakkers niet vallen, dan om blijder telkends weder uit te schieten. Tusschen deze bosschen loopen rij- en wandelwegen in bochten en kronkelingen, zoo verscheiden, dat Vondel ze eigenaardig by die van den Cretenzer doolhof vergelijken kon. Op dezen rondgevoerd, zien wy nu dichte houtwallen, dan een open plein; hier het geboomte schilderachtig tegen de duinen opklimmen, dáar met abeelen- en berkenstammen aardig in het watervlak zich spiegelen, gints met donker loof bevallig tegen het goud der akkervelden of het malsche klavergroen der weiden afsteken.—Zoo groeien hier op Hollands bodem duizenderlei bloemen in het wilde op, en vormen onze weiden tot een veldtapijt, en onze bosschen en dreven, ja ook onze wildernissen en duinen, tot geurige lusthoven. Op klei en veen, op geest en duinzanden, op land en water, wassen hier in een kort bestek de kruiden en heesters van ver uit een liggende landstreken: de plant der Alpen en het zeewier, de boterbloem der moerassen en het varenkruid.—Over de kelken dezer in het wild verspreide bloemen zweven tallooze bontgewiekte vlinders, en dartelen en glansen in de zomerzon.—Zoo leeft en tiert dan ook by ons het bosch.—Maar als in de Hollandsche, door ons afgemaalde streken, op een schoonen lentemorgen de leeuwrik klapwiekend en zingend stijgt van uit de weide, waar het jonge lam by de moeder dartelt, en het runddier wellustig de klaver afscheert; als de liefelijke waassem van het jeugdig groen en van duizend lentebloemen ons verkwikkend tegenwaait; als in vaart of vliet, tusschen waterlisch en geurige calmus, de visschen spartelen; als uit elzen- en iepenloover het gekir van woud en tortelduiven, het gefluit der meerels, en de zang der nachtegalen zich onderling afwisselen—dan gebeurt het niet zelden, dat, by zooveel genot, ons gevoel als overstelpt wordt, en ons hart te eng schijnt om tevens al dien wellust te bevatten.”1