Note 3 — Het Kasteel te Gemert.
Reading edition
In 1366 was broeder Gheryt van Audenhoven Kommandeur. Op den 21en Juni van dat jaar kocht hy van den toenmaligen Diedryc van Gemert dat gedeelte der Heerlijkheid, dat tot hiertoe nog door dit geslacht, sedert 1364 als leen, bezeten was, waardoor het Duitsche Huis alzoo in het volledig bezit geraakte. Kort daarna, het zij onder zijn bestuur, het zij onder dat van zijn opvolger Henric Reynart van Husen, in 1387 vermeld, werd er ten zuiden van de dorpskapel een ruim gedeelte gronds, aan den zoom van het watertjen de Rups, afgebakend, en daarop het sterke kasteel gebouwd, dat sints den Kommandeurs met de hunnen ten verblijf diende. Het hoofdgebouw rees als een zwaar vierkant gevaarte, uit drie of vier andere gebouwen bestaande, met steile daken, en alleen slechts door trapgevels en hoektorens ietwat verlevendigd, kloosterachtig somber uit de diepe gracht op, en werd nog door buitenwallen en eene versterkte voorpoort beschermd. De inwoners van Gemert zullen zich evenwel waarschijnlijk niet over den afstand van Heer Diedryc beklaagd hebben: de Duitsche Ridders waren geen harde heeren voor hunne onderzaten; en zoo men al beproefd heeft hen daarvan te beschuldigen—de wetten van den Grootmeester Siegfried van Feuchtwangen3, 1309–1312, zijn daar, om den aanklager, dien het om waarheid te doen zij, te beschamen: de wijsheid van den Regent spreekt er u op iedere bladzijde uit tegen; en waar ze strengheid ademen, daar is het om een vergrijp te voorkomen, of te straffen, opdat de goedgezinde onderdaan in vrede en veiligheid het zijne bezitten moge, en orde en zedelijkheid bevorderd worde. Welke eene naauwlettende zorg spreekt zich uit in verordeningen, by de Art. XX, XXIV, XXVII, inhoudende: