Note 1 — VERKLARING.
Reading edition
Toen ik den volgenden morgen1 ontwaakte en van mijne legerstede opstond, bespeurde ik, dat mijn broeder Nacht de hut reeds had verlaten. Ik zocht hem overal in het dorp, maar nergens kon ik hem vinden. Eindelijk kreeg ik hem in het oog; ik zag hem in de verte op den top des Goenoeng-Soesoe, waar hij, in diep gepeins verzonken, den oogenblik scheen af te wachten, waarop de zon boven den horizon zou verrijzen. Later verklaarde hij, dat mijne ontwikkeling der natuurlijke godsdienst meer had toegebragt om zijn geloof te doen wankelen, dan de gronden vroeger door mij tot staving mijner gevoelens aangevoerd. Mijne zedeleer, zeide hij, bevatte veel goeds. De stellingen, door mij verdedigd ter bestrijding van de „geopenbaarde godsdienst,” wenschte hij in zijn gemoed te overwegen, en verlangde om die reden den huidigen dag in eenzaamheid door te brengen. Ik drukte hem hierop de hand en ging toen mijn eigen weg.