Note 29 — 3. (continued 2)
Reading edition
Een schaterend gelach dat wij achter ons vernamen, was oorzaak dat wij ons in den zadel omwendden,—daar zagen wij dat de Raden distriktshoofd, in lijnregten strijd met den Adat, luid schaterde van lagchen, hetwelk hij bij geene mogelijkheid scheen te kunnen bedwingen. En hetgeen nog het ergste van alles was, deze lachlust had zich het eerst voortgeplant op zijne naaste begeleiders, vervolgens aanstekend gewerkt op de achteraan komende personen—en zoo voorts, totdat eindelijk de gansche ruiterschaar even luid medelachte, zonder eigenlijk te weten waarom hij lachtte. Ja, het scheen dat zelfs de paarden onwillekeurig medegrinnikten. Zoo als ik later vernam, verstond de goede Raden een weinig Hollandsch en waren de laatste woorden welke ik mijn broeder had toegevoegd, door hem begrepen geworden. Terwijl hij nog steeds den buik vasthield van ’t lagchen, stamelde hij eindelijk (onder het maken van vele verontschuldigingen wegens zijne onbescheidenheid) de volgende woorden: „Betoel Toean! betoel sakali! Orang kitjil trada soeka kerdja,—trada maoe bekin bresih kopi, kapan trada soedah jang dapat printah; ter lebi jang soeka tinggal di roemah, dan majin sama dija poenja parampoean, tidoran di atas balé balé,—pidjit, pidjit, enak!” (Het is waar, mijnheer! ’t is volkomen waar! De geringe man houdt niet van arbeiden,—wil de koffij niet schoon maken, wanneer hem zulks niet is bevolen geworden; hij blijft veel liever te huis om zich met zijne vrouw te vermaken, gemakkelijk op de Balé balé te liggen, zich te laten strijken, kneden,29 lekker!)