Note 27 — 3. (continued 2)
Reading edition
Naar ik hoorde, begaven zij zich naar de woning van des bruidegoms vader, alwaar de bruid voor een prachtig versierd bruidsbed (Padjangan) dat te midden van het vertrek was geplaatst, moest ontvangen worden. In den Pĕndopo die vóór deze woning stond, waren de noodige toebereidselen voor het bruiloftsmaal gemaakt.27—Weinig tijds nadat wij van het Aloenplein naar den Pasanggrahan waren teruggekeerd, verscheen de Loerah aan het hoofd eener bezending, bestaande uit mannen en vrouwen die korven, groote houten schotels, drinkschalen en schenkbladen, alles gevuld en beladen met rijst, thee, suiker, velerlei soorten van vruchten en gebak van rijstmeel, suiker of honig (Koewé koewé) van verschillenden aard voor zich uit droegen. Deze lekkernijen werden ons aangeboden en op den vloer in den Pasanggrahan nedergezet, dewijl er banken, tafels, noch stoelen voorhanden waren. Bovendien werden wij door den Loerah op het bruiloftsmaal verzocht, en uitgenoodigd om later deel te nemen aan den daarop volgenden Tandak (Javaschen dans, waarbij de Gamĕlan geslagen wordt), voor welke eer wij echter, uithoofde van de vermoeijenissen der afgelegde reis, bedankten. Wij verzochten hem om ons voor alle dingen eene tafel en een paar stoelen of banken te bezorgen, waaraan onmiddellijk werd voldaan, en nu trachtten wij ons onder het algemeen gejubel zoo goed mogelijk in te rigten. De Javanen bragten ons spijzen en voornamelijk gebak van allerlei aard in overvloed en wij moesten bekennen dat wij, niettegenstaande de armoedige wijze waarop wij waren aangekomen—te voet, niet onder geleide van een inlandsch hoofd, met pakkaadje op de schouders van onze eigene bedienden—op eene uitstekend gastvrije manier te Oegoed waren ontvangen geworden. Bij dergelijke feestelijkheden wordt onder de Javanen het schoone beginsel ten stelregel genomen: dat niemand van allen, die in de nabijheid zijn, zelfs niet de armste Koeli, onbevredigd blijve of treurig mag wezen.