Note 23 — 3. (continued 2)
Reading edition
Wij begaven ons naar het grootste dezer dorpen, Oegoed geheeten, dat wij weldra binnentraden. Hier was alles in dulci jubilo; de slagen van Gamĕlan’s klonken ons luide uit meer dan een Pĕndopo te gemoet. Hieraan paarde zich het zachte, liefelijke geluid des Angklong.23 Eerepoorten van helder groen loof waren hier en daar opgerigt, en in feestgewaad gedoste en opgesierde inlanders van allerlei ouderdom wandelden in het rond. Naar ons verhaald werd, vierde men den tweeden dag van eene bruiloft. De zoon van den Loerah24 was den vorigen dag gehuwd met de dochter van een Mandor goedang kopi (opziener van een koffijpakhuis) en het scheen, dat hij juist gereed stond om nu zijn laatsten omgang door het dorp te maken.—Onze Koeli’s bragten ons in den ledigstaanden Pasanggrahan, ontdeden zich aldaar zoo spoedig mogelijk van de pakken en koffers, en spoedden zich onmiddellijk daarop weder voort, ten einde deel te nemen in de algemeene vreugde. Onze jongens volgden hun voorbeeld en wij insgelijks, dewijl het er in den Pasanggrahan zoo armoedig en leêg uitzag als het geval kan geweest zijn op het drooge land tijdens de silurische formatie.