← Table of contents
Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java

Note 3 — 1.

Reading edition

Deze bergwanden, deze wouden, welke den bodem van het dal overschaduwen, werden nu beschenen door het zilverblanke licht der maan, die hoog aan den hemel stond. Haar licht was zoo helder, dat wij ter naauwernood eenige schemering hadden kunnen waarnemen, toen de dagtoorts3 werd uitgebluscht. In het azuren uitspansel liet zich niet het geringste wolkje bespeuren. Maar aan het zintuig van het gehoor werd verkondigd, dat de zon beneden den horizon was gedaald. Hoewel geen ademtogtje werd bespeurd, geen blaadje van het geboomte ritselde, verhieven zich toch steeds duidelijker zekere algemeene nachtelijke geluiden. Nu de oppervlakte des bodems niet langer werd verhit en de oorzaak niet meer bestond, die zulks had te weeg gebragt,—de zonnestralen, welke er op neêrschoten,—stegen niet langer luchtstroomen loodregt opwaarts en werd de zijwaartsche voortplanting van het geluid niet meer verhinderd. De branding van de meer dan 20 palen van ons verwijderde zuider kust liet zich allengs duidelijker vernemen en het bruischen van den stroom, die, in zijn langen loop uit het binnenste van het hooggebergte tot aan de kust, zich al kronkelend door den bodem van het dal slingert, trof al luider en luider ons oor. Hoe sterker deze algemeene, doffe nachtelijke geluiden zich lieten bespeuren, in gelijke mate verminderde het geruisch in het dorpje. De gansche menschelijke bevolking er van bestond uit een vijftigtal mannen, vrouwen en kinderen, die zich met haar tam gedierte—hoenders, honden, geiten, een paar buffels en paarden—in dit dal had nedergezet en mijlen ver door wildernissen van andere dorpen was gescheiden. Zij lagen nu allen op hunne Balé balé’s in de hutten uitgestrekt, waar zij zich, ieder in den kring van zijn gezin, geheel en al overgaven aan het zalige gevoel van een volkomen onbezorgd gemoed. Uit eenige hutten klonken ons nog de langgerekte toonen van een gezang te gemoet, dat noch eene bepaalde melodie, noch woorden heeft, maar gewoonlijk door mannen wordt geïmproviseerd en gezongen, wanneer zij op de rustbank liggen en zich gelukkig gevoelen. Ook dit eentoonige gezang hield allengs op; onze bedienden, die zich in gezelschap van eenige dorpelingen achter ons in het gras hadden nedergelegd, slopen de een voor en de andere na in stilte weg, om ook voor zich eene nachtelijke rustplaats op te zoeken; de eene deur werd na de andere gesloten; de lampjes, waarvan het schijnsel door de reten der wanden schemerde, werden de eene na de andere gebluscht; het geluid der huisdieren liet zich allengs zeldzamer hooren, en eindelijk verkondigde niets meer de nabijheid der menschelijke wezens, die met al hunne levende have, met al hun geluk en ongeluk, zich in onze onmiddellijke nabijheid bevonden en nu in diepen slaap verzonken waren.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings