Note 1 — 1.
Reading edition
Het dorpje Gnoerag is gelegen op een voorsprong der westelijke dalhelling, welke ongeveer 700 voet beneden den hoogsten rand een zacht glooijend plat vormt en vervolgens steil in den eigenlijken bodem van het dal overgaat. De rand, waarop wij ons bevonden, verhief zich nog ongeveer 300 voet boven dit laagste gedeelte des dalbodems. Aan gene zijde van het dal rees de helling eerst zacht glooijende, bij wijze van terrassen, vervolgens steiler en eindelijk als een loodregte wand opwaarts naar den oostelijken dalrand, die van den westelijken rand welligt 1½ à 2 Javasche palen1 verwijderd was. Op den voorsprong lagen hier en daar kleine, drooge rijstvelden (Tipar en Oema) verstrooid in eene wildernis van Alang-alanggras, welke laatstgenoemde zelf de plaats weder had ingenomen van velden, in voormaligen tijd bebouwd. De bodem van het dal daarentegen, benevens de steile hellingen, die het ter wederzijde insloten, waren bedekt met een majestueus oorspronkelijk woud, met boomen wier zuilvormige stammen zich 100, ja, 120 voet hoog verhieven, alvorens zij hunne rondachtige loofkroonen vormden. Als wiessen zij vrij in de lucht, zoo verhieven zij hunne kruinen de eene boven de andere aan den steilen dalwand en slechts enkele gedeelten, die volkomen loodregt oprezen, vielen hier en daar als kale plekjes tusschen het geboomte in het oog.2