Note 4 — 1.
Reading edition
Wij alléén nog zaten daar—en langen tijd zwijgend—nevens elkander. Opgetogenheid vervulde ons. Nu eens vestigden wij mijmerend de blikken op den tegenover gelegen dalwand, waarvan hier eene bogt, met donkere schaduwen bedekt, in een geheimzinnig duister verdween, terwijl elders eene voorwaarts springende rotspunt of de reusachtige zuil eens boomstams door het volle licht der maan werd beschenen;—dan weder rustten zij op het bladerengewelf, waarmede het woud den bodem van het diep beneden ons liggende dal overdekte. De digtste nachtelijke duisternis liet zich hier en daar tusschen deze boomen bespeuren, als zagen wij door eene spleet in een peilloozen afgrond neder, ter plaatse waar in de diepe, met woudgeboomte overschaduwde kloof, voor het oog volkomen onzigtbaar, maar door den donder harer schuimende golven luid hoorbaar de Tji-Nagnéak heenbruist. Daar stort zij van blok tot blok, van rots tot rots nederwaarts en zet zij in snelle vaart haren loop voort naar de kust. Andere gedeelten van de oppervlakte des wouds, vooral ter plaatse waar de grootste en hoogste loofkroonen oprezen, waren zoo helder verlicht, dat men de paauwen kon zien, wier luid gillend geschreeuw nog voor korte oogenblikken, gedurende het vallen van den avond, de echo’s van alle bergwanden had doen ontwaken, maar die nu bewegeloos en stil in de toppen van het geboomte zaten.—Van tijd tot tijd fladderden eenige vledermuizen ons voorbij; somtijds vloog een krassende uil langs de helling van het dal, doch dit was de eenige beweging, die zich liet bespeuren, want heinde en verre lag de natuur in diepe rust verzonken. Behalve het doffe geruisch van den snellen stroom, trof geen ander geluid ons oor dan het regelmatig geklep van een Caprimulgus,4 dat als kletterende hamerslagen op een aanbeeld alom door het dal klonk, en slechts zelden vernamen wij uit het woud beneden ons een geluid als van loeijende buffels, maar fijner, meer schor en wilder van toon; het waren rhinocerossen, die zich slechts in den speeltijd laten hooren. Overigens was de dierlijke schepping dood stil en nergens was eenige beweging zigtbaar.—Maar met welke nachtelijke schoonheid was het omringende landschap getooid! welk een tooverachtigen schijn gaf daaraan de maan, die het als door een floers, door een zilverkleurig, half doorschijnend glas bescheen! Waar vind ik woorden om zoo veel schoonheid te beschrijven,—of kleuren om haar naar waarde af te malen? Mijne krachten zijn daartoe te zwak. Zoo iets laat zich slechts gevoelen, waarnemen.