Note 1 — HOOFDSTUK XI.
Reading edition
Alles aan die heeren leek correct en voornaam. De zorgvuldig gefrizeerde haren, het vlekkeloos glanzende wit van overhemden, de deftige zwarte rokken. Alleen wat arme, verdwaalde bloemen in het knoopsgat deden triestig aan. En naast hen de elegante, gracieuze cocottes, schitterend van juweelen, in fijne zijde en satijn, de groote, breed gerande hoeden met witte struisveeren, en boa’s van kostbaar dons. Een weeë geur van fijne parfums zweefde door de zaal, prikkelend, en toch weerzinwekkend. Sommige dier vrouwen hadden groote poppen in den arm, prachtig aangekleed met dure kant en kostbare juweelen, en wiegden die liefkoozend heen en weer, als baby’s. Er was iets afschuwelijk onheiligs in die imitatie van moederschap bij vrouwen, die altijd onvruchtbaar moeten blijven, voor hun métier.1