Note 2 — Hoofdstuk I. De Bronnen van de Spaansche Romance.
S. Vos-Goudsmit translation
In dezen eeuwenlangen strijd werd Christelijk Spanje ongetwijfeld gedragen door een diep gevoel van saamhoorigheid en het bezit van een gemeenschappelijke taal, factoren, die het behoud zijn geweest van menig volk, dat in een even wanhopigen toestand verkeerde; en misschien is hun vaste wil, het verloren paradijs van het Zuiden te herwinnen, wel het beste bewijs voor de waarheid van de theorie, dat vóór het tijdperk der Saraceensche overheersching, de Castiliaansche taal slechts een samenraapsel was uit de elementen van de Romeinsche lingua rustica en het onbeschaafde Gothisch, en volgens sommige autoriteiten, zonder bepaalde taalregels of een taaleigen.2 Zeker is het, dat de eindphase in de ontwikkeling van het Castiliaansch plaats vond na den uitval der Arabieren, maar wij zouden te groote waarde hechten aan het gebrekkige bewijs, dat wij bezitten, wanneer wij beweerden, dat de gangbare Castiliaansche taal, onmiddellijk vóór die periode, niets was dan een patois, zonder regels of methode.