Note 2 — Konstantinopel en het Serail.
Reading edition
Deze verschillende klassen vormen een personeel van drie- tot vierhonderd vrouwen,2 die meest allen uit Tsjerkessië of andere deelen van Kaukasië afkomstig zijn. Vele van deze voor den harem bestemde meisjes kennen noch hare familie, noch haar vaderland; zij die geen titel dragen overeenkomstig hare diensten, verkrijgen een naam naar gelang harer bekoorlijkheden of bijzondere eigenschappen, bijvoorbeeld: Hayata (de levengevende), Safayi (de vreugdebereidster), Dilbaste (de hartensnoerster), Nurisabah (het morgenrood), Gulbahar (de lenteroos). Deze allen, met uitzondering van de kadinen, staan onder het toezicht eener opperhofmeesteres, die door den sultan gemeenlijk uit eene der oudste favoriten gekozen wordt, en als teeken harer waardigheid een bevelhebbersstaf, met zilver ingelegd, voert.