Note 1 — VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Hendrik Cornelis Rogge translation
»Niet?” vroeg de koningin. »En meent gij dat ik den adder niet ken, die dit leven in zijn bloei heeft afgesneden? Gelooft gij dat ik niet weet, wie de giftige slang tegen den Romein heeft aangehitst? Gij zijt de moordenaar en Eulaeus met zijne gezellen zijn de handlangers! Gisteren nog zou ik mijn hartebloed vergoten hebben om Cornelius te redden, en liever u dan hem naar het graf hebben geleid; maar heden, nu ik weet welk een spel deze ellendeling met mij gespeeld heeft, zou ik de misdaad op mij genomen hebben die thans u schandvlekt. Zelfs geen god durft ongestraft uwe zuster zoo te honen en te beleedigen, als hij gedaan heeft. Reeds een, gij moogt het wel weten, is evenals hij aan zijn einde gekomen, namelijk de Bithynische hipparch1 Eustorgos, die, terwijl hij van liefde voor mij verteerd scheen te worden, mijne speelgenoote Kallistrate tot vrouw vroeg. Aan dezen hebben de slangen en roofdieren hun akelige kunst getoond. De boodschap van Eulaeus heeft u, die zoo sterk zijt, met koude hand in ’t hart gegrepen; bij mij zwakke vrouw, wekt zij onbeschrijfelijke vreugde, want het beste dat eene vrouw kan geven, heb ik hem aangeboden, en hij heeft het verachtelijk in het stof vertreden. Had ik geen recht te verlangen, dat met het beste wat hij heeft, dat is zijn leven, evenzoo werd gehandeld, als hij zich vermeten heeft met het mijne, dat is mijne liefde, te doen? Het komt mij toe mij te verblijden over zijn dood. Ja, thans zijn die schoone oogen gesloten, die de kunst van liegen niet minder verstonden dan de strenge mond, die de waarheid zoo hoog kon verheffen. Dat trouwlooze hart staat nu stil, dat de liefde van eene koningin versmaadde,—waarvoor? voor wien?—O, gij barmhartige goden!”