← Table of contents
Klea en Irene

Note 1 — VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Hendrik Cornelis Rogge translation

Gelijk de groote robijn, die aan het gastmaal het doorzichtig gewaad van koning Euergetes aan zijn breeden hals samenhield, bij het licht der kaarsen flikkerde zoo weerkaatsten thans de rotsachtige wanden van dit naakt gebergte het morgenlicht, en Lysias aanschouwde, hoe de dagvorstin achter hem zich verhief met verblindenden glans en hare stralen als millioenen gouden pijlen uitzond, om haar vijandin, de machtige duisternis op de vlucht te drijven en te vernietigen. Voor hem die, als hij niet zwelgde en zijn genot zocht in de baden, bij het ringspel in het worstelperk, bij hanen- en kwartelgevechten, in het theater en bij Dionysos-optochten, zijne geest gaarne oefende in de scholen der philosophen, ten einde ook aan de gastmalen in het gesprek te kunnen schitteren,—voor hem waren Eos1, Helios2 en Phoebus Apollo sedert lang niets anders dan namen, waarmede men zekere verschijnselen en begrippen gevoeglijk kon aanduiden. Doch heden, terwijl hij getuige was van dezen zonsopgang, geloofde hij weder als in zijne kindsche dagen aan den god, en zag hij hem weder in den geest op zijn gouden wagen, omstuwd door zijn schitterend gevolg, dat door de lucht zweefde, fakkels dragende en bloemen strooiende, de schuimbekkende rossen van zijn vierspan beteugelen; heden hief hij geloovig de armen omhoog en bad luide: »Ik gevoel mij heden zoo opgewekt en luchthartig. Zeker heb ik dit te danken aan uwe tegenwoordigheid, Phoebus Apollo, die zelf het licht zijt. O laat het zoo blijven....”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings