Note 1 — TIENDE HOOFDSTUK.
Hendrik Cornelis Rogge translation
»Gij beproeft evenzeer uwe krachten aan andere dingen,” gaf Euergetes ten antwoord. »Ik houd wat onder dezen gouden hoofdwrong steekt voor het beste wat ik heb, en ik oefen mijne scherpzinnigheid in het fijnste en kleinste, evenals ik de kracht van mijne armen gaarne beproef aan den sterksten athleet. Laatst heb ik er vijf in het zand geworpen, en zij beven al, als ik in het Timagetische worstelperk1 verschijn. Er zou in de wereld geen kracht zijn, als er geen tegenstand was, en niemand zou weten hoe sterk hij is, wanneer hij geene hinderpalen ontmoette. Ik zoek de zoodanige op, die het meest met mijn aard overeenkomen, en ik kan het niet helpen, wanneer ze niet in uw smaak vallen. Een edel ros zou deze voortreffelijk bereide spijzen, wanneer ze het dier werden voorgezet, versmaden en niet kunnen begrijpen hoe dwaze menschen zoo iets zouts lekker kunnen vinden. Niet alle schepselen houden van zout. Hun die ver van de zee wonen smaken de oesters niet, maar ik als lekkerbek open zelf de schalen om ze zoo versch te kunnen opslurpen, en ze warm en wel in mijn wijn te mengen.”