← Table of contents
Klea en Irene

Note 1 — NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

Hendrik Cornelis Rogge translation

Eer Kleopatra tijd had deze vraag te beantwoorden, deed zich weder het blazen van de trompet hooren. »Dat is Philometor,” zeide Kleopatra daarop, »die ons voor het gastmaal komt halen. Ik zal den Romein later gelegenheid geven zich zelven te verdedigen, hoewel ik hem, ondanks uw aanklacht, vast vertrouw. Heden morgen heb ik hem ernstig gevraagd, of het waar was dat hij verliefd was op de schoone Hebe van zijn vriend, en hij heeft dit op vasten mannelijken toon ontkend. Wat hij mij antwoordde, toen ik het waagde zijne oprechtheid te betwijfelen, was uitmuntend en zulk een beschaafd jonkman waardig. Hij neemt het ernstiger met de waarheid dan gij. Oprecht te zijn, zeide hij, hield hij niet alleen voor schoon en goed maar ook voor verstandig, want met den leugen kan men kleine voordeelen behalen, die niet lang duren en gelijken op den nachtelijken nevel, die opgelost en vernietigd wordt, zoodra de zon zich vertoont, doch de waarheid is het zonlicht zelf, dat, hoe vaak het ook verdonkerd wordt, toch altijd weder te voorschijn komt. Dat, zeide hij verder, maakt den leugenaar in zijne oogen bijzonder verachtelijk, dat hij, om zijn doel te bereiken, altijd met nadruk moet doen uitkomen, welk een afschuw hij heeft van ieder, die handelt gelijk hij. Een staatsbestuurder kan niet altijd oprecht blijven, en ikzelve ben het dikwijls niet geweest, maar de omgang met Publius heeft veel goeds in mijn binnenste, dat was ingesluimerd, opnieuw gewekt. Wanneer ook deze man zal blijken te zijn, wat gij en alle overigen zijt, ja dan volg ik u op uwen weg, Euergetes, en lach met deugd en waarheid, en laat op de voetstukken, die de borstbeelden van Antisthenes en Zeno dragen, die van Aristippus en Strato zetten1.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings