Note 1 — DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Hendrik Cornelis Rogge translation
»En gij,” zeide Publius, haar in de reden vallende, »wildet handelen overeenkomstig de leer van de Stoa1. Ik ken haar ook, maar vruchteloos zoek ik naar den deugdzame en wijze, die in staat zou zijn te midden van den strijd des levens zóo te handelen, als die leer voorschrijft, door de geheele zedenwet in alle deelen, zonder tegen een enkel gebod te zondigen, als het ware vleesch en bloed te doen worden en in zichzelven te belichamen. Hebt gij ooit gehoord van de zielsrust, de gelatenheid en gelijkmoedigheid van den Stoïcijnschen wijze? Gij kijkt alsof die vraag u beleedigde, maar gij hebt u volstrekt al deze eigenschappen niet weten te verwerven, want ik heb u tegen elke van deze zien zondigen. Zij zijn ook in strijd met het wezen der vrouw, en, den goden zij dank, gij zijt geen Stoïcijn in vrouwengewaad, maar eene vrouw in den waren zin des woords. Van Zeno en Chrysippus hebt gij niets geleerd, behalve wat elke boerendeern van haren vader leeren kan, ik bedoel, oprecht te zijn en de deugd lief te hebben. Laat het daarbij blijven, ik ben daarmede meer dan tevreden.”