Note 1 — QUOSKH, DE ALZIENDE.
Cilia Stoffel translation
Eens op een zomer was er een nauw zichtbaar lommerpaadje vlak achter mijn tent aan het wijde meer, dat in het bosch verdween met eindelooze wendingen en bochten, zonder de minste aanduiding waar het van plan was heen te gaan, voordat ik het einde al bereikt had. In dit paadje wachtten me steeds allerlei merkwaardige verrassingen. Roode eekhoorntjes, die aan weerskanten allerlei kattekwaad uithaalden, gluurden met een drukte van belang over een tak naar beneden, elandsvogels1 glipten er geruischloos over in bedrijvige haast. Nu eens staat ge plotseling met bonzend hart stil, wanneer ge bezig zijt over een van de vele omgewaaide boomen die u den weg versperren heen te klimmen, als er iets opspringt en krakend door het kreupelhout breekt. Een glimp van een wit vaantje, dat rijst en daalt, en weer rijst en daalt boven de gevelde stammen, door een heel kleintje gevolgd, zegt u dat een hinde en haar kalfje daar achter den stam lagen, zonder iets te merken van uw geruischlooze nadering. Dan weer doemt er bij een bocht van het paadje iets grijs en massiefs voor u op en verspert het nauw zichtbare weggetje, zoodat ge plotseling stilstaat, en terwijl ge achter den eersten den besten boom terugdeinst, draait een kop met een reusachtig gewei zich met een zwaai naar u toe: opengespalkte neusgaten, turende, wijdopengesperde oogen, en ooren die als trompetten recht op uw hoofd gericht zijn—een mannetjeseland, sst!