Note 1 — ONTMOETINGEN MET EEN BEER.
Cilia Stoffel translation
Het blijkt dunkt mij hoe langer hoe duidelijker dat de natuur haar gaven niet alleen naar de behoefte afmeet, maar veeleer naar de wenschen van haar schepselen. De kracht en den invloed van dat hevige verlangen—te heviger omdat elk dier er gewoonlijk maar één heeft—hebben we nog niet leeren peilen. „Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij vernachten aan uw kribbe?”1 Hierin zouden we het geheim van dat vrije leven kunnen zoeken van hen „wien de wildernis tot een huis besteld is”, als we de Schrift zouden aanhalen om iets onbewijsbaars te bewijzen, zooals we graag in godsdienstige gesprekken doen en daardoor antwoorden onmogelijk maken. De uil heeft een geruischlooze vlucht, niet eenvoudig omdat hij niet zonder deze kan—want hij heeft het niet meer noodig dan een valk, die geen stillen vleugelslag heeft—maar veeleer om zijn innige behoefte aan rust, wanneer hij door de stille schemering vliegt. Zoo is ’t ook met de pooten van den panter2, met het oog van het hert en met den neus van den wolf, wiens grootste zaligheid in een goeden reuk bestaat; zoo met al die sterk in ’t oog loopende gaven, die de dieren in de wildernis van de natuur hoofdzakelijk gekregen hebben, omdat ze er in de lange jaren van hun ontwikkeling behoefte aan hebben gehad.