Note 10 — Hoofdstuk VIII: Mythen en verhalen van de Kimbren.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
In vele opzichten liep de Iersche Kelt vooruit op de ideeën in die verhalen. De voorname hoofschheid die vijanden elkander betoonden10, de zonderlinge trots die een krijgsman verbood partij te trekken van den hulpeloozen toestand van een gewond tegenstander11, de overdreven vormelijkheid waarmede de plichten of voorschriften behoorende bij ieders kaste of stand werden in acht genomen12—deze geheele sfeer van gedachten en gevoelens die ons zoo vreemd zou voorkomen, indien wij een voorbeeld er van aantroffen in de klassieke literatuur, zou zeer gewoon en natuurlijk lijken in continentale verhalen van de twaalfde en latere eeuwen. Eeuwen vroeger was die een kenmerkende trek in de Galische literatuur. Toch ontbreekt in de Iersche verhalen, hetzij Ultoniaansche of Ossian’sche, dat element, dat sedert dien als het meest belangrijke motief in een romantisch verhaal werd beschouwd, zoo goed als geheel. Dat is het element der liefde, of liever der vrouwenvereering. De continentale verteller begreep dat hij niets vermocht zonder dit motief van handeling. Maar de “beminde” van den Engelschen, Franschen, of Duitschen ridder, wier kleuren hij droeg, om wier gunst hij ongekende ontberingen en gevaren verduurde, komt niet voor in de Galische literatuur. Het zou den Ierschen Kelt ongerijmd hebben toegeschenen, de intrige van een ernstig verhaal te laten draaien om de soort van hartstocht, die de middeneeuwsche Dulcinea haar trouwen ridder wist in te boezemen. In de twee beroemdste en populairste Galische verhalen van minne, dat van Deirdre, en “De Vervolging van Dermot en Grania,” zijn het de vrouwen die de mannen trachten te winnen en de mannen gaan zeer ongaarne er toe over te begaan wat zij weten te zijn: de dwaasheid hun toe te geven. Deze romantische ridderlijke soort van liefde nu, die de vrouw tot een godin idealiseerde en den dienst zijner dame voor den ridder tot een heiligen plicht maakte, is, hoewel zij in Wales nimmer zoo in aanzien kwam als in continentale en Engelsche verhalen, toch daar duidelijk waarneembaar. Wij kunnen die vervolgen in “Kilhwch en Olwen,” betrekkelijk een oud verhaal. Zij komt duidelijk uit in latere verhalen, als “Peredur” en “De Vrouw van de Bron.” Het is een teeken in welke mate de literatuur van Wales, vergeleken bij de Iersche, haar zuiver Keltischen geest had verloren en vreemde invloeden had ondergaan—ik zeg natuurlijk niet tot haar schade.