Note 5 — Hoofdstuk VIII: Mythen en verhalen van de Kimbren.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
Ten slotte en bovenal hebben wij het werk van den Franschen dichter Chrestien de Troyes, die in 1165, evenals Marie de France, “Lais” uit Bretagne begon te vertalen en die feitelijk de Arthur-sage in de poëtische literatuur van Europa bracht en er de voornaamste trekken en haar karakter aan gaf. Hij schreef een “Tristan” (nu verloren gegaan). Hij (zoo niet Walter Map) bracht Lancelot van het Meer in het verhaal; hij schreef een Conte del Graal, waarin voor het eerst de Graal-legende en Perceval voorkomen, al liet hij het verhaal onvoltooid en al vertelt hij ons niet wat de “Graal” werkelijk was5. Hij schreef ook een lang conte d’aventure, getiteld “Erec,” bevattende de geschiedenis van Geraint en Enid. Dit zijn de vroegste gedichten die wij bezitten, waarin de Arthur van de ridderlegende sterk op den voorgrond treedt. Welke waren de bronnen van Chrestien? Ongetwijfeld voor een groot deel uit Bretagne. Troyes ligt in Champagne, dat in 1019 door Eudes, Graaf van Blois, met Blois was vereenigd en weer na een periode van scheiding er mee was hereenigd, door Graaf Theobald van Blois in 1128. Maria, Gravin van Champagne, was de beschermvrouw van Chrestien. En er waren nauwe banden tusschen de heerschende vorsten van Blois en Bretagne. Alain II, een Hertog van Bretagne, had in de tiende eeuw een zuster van den Graaf van Blois gehuwd en in het eerste vierde gedeelte van de dertiende eeuw huwde Jean I van Bretagne Blanche van Champagne, terwijl hun dochter Alix in 1254 Jean de Chastillon, Graaf van Blois, huwde. Het is derhalve hoogst waarschijnlijk, dat door minstreels die hun meesters uit Bretagne aan het hof van Blois volgen, van het midden der tiende eeuw af, een groot aantal “Lais” en legenden uit Bretagne hun weg vonden tot de Fransche literatuur in de elfde, twaalfde en dertiende eeuwen. Maar het is ook zeker dat de legenden van Bretagne zelf sterk onder Fransche invloeden waren geraakt en dat wij aan de Matière de France, zooals die door middeneeuwsche schrijvers werd genoemd6—i.e. de legenden van Karel de Groote en zijn Paladynen—de Tafelronde verschuldigd zijn en de riddergebruiken toegeschreven aan Arthur’s hof te Caerleon aan de Usk.