← Table of contents
Keltische Mythen en Legenden

Note 34 — Hoofdstuk VIII: Mythen en verhalen van de Kimbren.

B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation

Het vorige verhaal was er een van tooverij en vizioenen, waarin het mythologisch element slechts zwak is. Het verhaal echter waartoe we nu komen, voert ons in een kennelijk mythologische sfeer. Het hoofdmotief er van toont ons de Machten van het Licht in strijd met die van de Onderwereld om de gewaardeerde bezittingen van deze laatste; in dit geval een kudde tooverzwijnen. Bij het begin van het verhaal worden wij voorgesteld aan de godheid Māth, van wien de bard ons vertelt, dat hij niet kon bestaan tenzij zijn voeten lagen in den schoot van een maagd, behalve wanneer het land door oorlog wordt beroerd34. Māth wordt gezegd te zijn heer van Gwynedd, terwijl Pryderi heerscht over de een-en-twintig gebieden van het zuiden. Bij Māth waren zijn neven Gwydion en Gilvaethwy zonen van Dōn, die voor hem in het land rechtspraken, terwijl Māth lag met de voeten in den schoot van de schoonste maagd van het land en van haar tijd, Goewin dochter van Pebin van Dol Pebin in Arvon.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings