Note 18 — Hoofdstuk VIII: Mythen en verhalen van de Kimbren.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
De godheid Gwyn ap Nudd geheeten heeft, naar men zegt, evenals Finn in de Galische legende18, dieper en blijvender indruk op de volksverbeelding in Wales gemaakt dan eenige andere godheid. Machtig krijger en jager, vermeit hij zich in het gekraak van brekende speren, en, evenals Odin, verzamelt hij de zielen van doode helden in zijn donker rijk, want, hoewel hij behoort tot de familie der Licht-goden, is het schimmenrijk zijn bijzonder domein. Het gevecht tusschen hem en Gwythur ap Greidawl (Victor, zoon van den Schroeier) om Creudylad, dochter van Lludd, dat elken Meidag wordt herhaald tot het eind der tijden, beteekent blijkbaar den strijd tusschen winter en zomer om de bebloemde en vruchtbare aarde. “Later,” schrijft Squire, “werd hij gehouden voor den Koning van de Tylwyth Teg, de feeën van Wales, en zijn naam als zoodanig is nog niet geheel uitgestorven in zijn laatste verblijfplaats, het romantisch dal van Neath.... Hij is de wilde Jager van Wales in het Westen van Engeland en het is zijn jacht, die soms in verlaten oorden des nachts wordt gehoord”19. Hij komt voor als een god van oorlog en dood in een prachtig gedicht uit het “Zwarte Boek van Caermarthen,” waar hij wordt voorgesteld in gesprek met een prins, Gwyddneu Garanhir geheeten, die zijn bescherming was komen vragen. Ik haal eenige coupletten aan: men vindt het gedicht in zijn geheel in Squire’s voortreffelijk boek.