Note 48 — Hoofdstuk VIII: Mythen en verhalen van de Kimbren. (continued 2)
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
Nu had Gwyddno, de man van de vergiftigde paarden, een dam voor de zalmvangst aan het strand tusschen Dyvi en Aberystwyth. En zijn zoon Elphin, een arme onfortuinlijke knaap, vischte op zekeren dag den leeren zak op, toen die tegen den dam dreef. Zij openden den zak en vonden het kind er in. “Zie, welk een stralend gelaat!”48 zeide Gwyddno. “Hij zij Taliesin geheeten”, zeide Elphin. En zij brachten zeer voorzichtig het kind naar huis en voedden het op als hun eigen. En dit was Taliesin, de eerste bard van de Kimbren; en het eerste gedicht dat hij maakte, was een loflied op Elphin en een voorspelling van geluk in de toekomst. En deze werd bewaarheid, want Elphin steeg dagelijks in rijkdom en aanzien en in de genegenheid en de gunst van Koning Arthur.