Note 45 — Hoofdstuk VIII: Mythen en verhalen van de Kimbren. (continued 2)
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
Nu hebben wij blijkbaar in “Peredur,” het verhaal uit Wales, een schets van het oorspronkelijke Keltische verhaal, maar de Graal komt er niet in voor. Men mag evenwel aannemen uit Gautier’s vervolg op Chrestien’s gedicht, dat een talisman van overvloed voorkwam in oude lezingen van de legende op het vasteland, vermoedelijk Bretagne. In éen lezing althans—die waarop Wolfram zijn “Parzival” bouwde—was die talisman een steen. Maar in den regel zal het niet een steen zijn geweest, maar een ketel of vat van den een of anderen aard, bedeeld met de gewone eigenschappen van den tooverketel der Keltische mythen. Dit vat werd in verband gebracht met een van bloed druipende lans. Dit waren de suggestieve bestanddeelen waaruit een onbekende zanger, in een oogenblik van inspiratie het oude verhaal van wraak en verlossing omzette in de mystische vertelling die dadelijk hart en ziel van de Christenheid vervulde. De tooverketel werd de beker van het H. Avondmaal, de lans werd belast met een vreeselijker schuld dan de dood van Peredur’s bloedverwant45. Keltische poëzie, Duitsche mystiek, Christelijke ridderlijkheid, en tooverbegrippen, die nog hangen aan de ruwe steenen gedenkteekens van West Europa—dat alles vereenigde zich om het Graal-verhaal te vormen en het die zonderlingebekoring te geven die er toe leidde dat kunstenaar na kunstenaar het gedurende zeven eeuwen herschiep. En wie kan nu nog zeggen dat het eindelijk heeft uitgediend en dat de torens van Montsalvat zijn opgegaan in den nevel waaruit zij te voorschijn kwamen.