Note 41 — Hoofdstuk VIII: Mythen en verhalen van de Kimbren. (continued 2)
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
Het karakter van een hoorn des overvloeds, een zinnebeeld en bewerker van overvloed en levenskracht, is nauw met den Graal verbonden in alle lezingen van de legende. Zelfs in de verhevenste en minst wereldsche er van, de “Parzival” van Wolfram von Eschenbach, komt dit sterk uit. Een zieke of gewonde die er naar keek kon niet binnen de week sterven, ook konden de dienaren er van niet oud worden: “al keek iemand er ook twee honderd jaar naar, zijn haar zou nimmer vergrijzen.” De Graal-ridders leefden er van, schijnbaar doordat hij in alle soorten van spijs en drank het brood veranderde dat pages hun aanboden. Elk had het voedsel dat hem leek, à son gré—van dat woord gré, gréable was de naam Gral, die in de Fransche lezingen voorkwam, geacht te zijn afgeleid.41 Alle wenschen werden er door vervuld. In Wolfram’s gedicht was de Graal, zooals wij zagen, hoewel verband houdend met de H. Hostie, een steen, geen beker. Hij komt dus voor als een overblijfsel van de oude steen-aanbidding. Het is opmerkelijk dat een dergelijke Steen des Overvloeds ook voorkomt in “Peredur”, hoewel niet als een der mysteries van het kasteel. Hij werd bewaakt door een zwarte slang, die Peredur doodde, en hij gaf den steen aan zijn vriend Etlyn.