Note 42 — Hoofdstuk VIII: Mythen en verhalen van de Kimbren. (continued 2)
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
Een dergelijke selectieve werking wordt door Wolfram aan den Graal toegeschreven. Hij kan alleen worden opgelicht door een reine maagd, wanneer hij in de zaal wordt gedragen, en geen heiden kan hem zien of er goeds door ondervinden. Dezelfde gedachte komt ook sterk uit in het verhaal, dat de eerste geschiedenis van den Graal vertelt, door Robert de Borron, omstreeks 1210; de onreine en zondige kan er geen goeds door ondervinden. Maar Borron roert het Perceval- of “zoek”-gedeelte van het verhaal in het geheel niet aan.