Note 4 — Hoofdstuk I: De Kelten in de oude geschiedenis.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
De ouden waren geen nauwkeurige waarnemers van physieke karaktertrekken. Zij beschrijven de Kelten in bijna dezelfde bewoordingen, die zij voor de Germaansche rassen gebruiken. Rice Holmes is van meening, dat het eenige verschil uit een physiek oogpunt in het feit gelegen was, dat de lichte haarkleur der Germanen blond, doch die der Kelten rood was. In een belangrijk gedeelte van het reeds aangehaalde boek (blz. 315) maakt hij de volgende opmerking: “Al houden wij ook zooveel mogelijk rekening met het feit, dat ander bloed er mede vermengd is, waardoor het type der oorsponkelijke Keltische of Gallische overweldigers van dit eiland aanzienlijk is gewijzigd, worden wij toch getroffen door het feit, dat er onder alle Keltisch sprekende landgenooten een aantal exemplaren gevonden worden van een type, dat ook bestaat in die gedeelten van Brittannië, die gekoloniseerd werden door Britsche indringers, en in die gedeelten van Gallië waarin de Gallische indringers zich in grooten getale schijnen te hebben neergezet, zoowel als in Noord-Italië, waar eertijds de Keltische indringers de overhand hadden; en evenzoo treft ons het feit, dat dit type, zelfs onder zijn meer blonde vertegenwoordigers, zoowel voor den oppervlakkigen als voor den wetenschappelijken waarnemer duidelijk verschilt van dat der zuiverste vertegenwoordigers der oude Germanen. De welbekende schilderij van Sir David Wilkie, “Het lezen der Waterloo Courant”, doet, zooals Daniel Wilson opmerkte, het verschil tusschen beide typen duidelijk uitkomen. Zet een Hooglander uit Perthshire naast een uit Sussex. Beiden hebben licht haar, maar het roode haar en de roode baard van den Schot zal duidelijk afwijken van het lichte haar van den Engelschman, en hun gelaatstrekken zullen nog sterker verschillen. Ik herinner mij eens in den trein tusschen Inverness en Lairey gezeten te hebben met twee boschwachters. Zij waren beiden lang, forsch gebouwd en blond, en behoorden blijkbaar tot het Scandinavische type, dat zooals Dr. Beddoe zegt, in het hooge noorden van Schotland zoo veelvuldig wordt aangetroffen, maar zoowel in de kleur van hun haar als in hun uiterlijk in het algemeen verschilden zij volkomen van de lange, lichtharige Hooglanders, die ik in Perthshire had ontmoet. Er was geen spoor van rood in hun haar, en hun lange baarden waren absoluut geel. Het overwicht van rood onder de Keltisch sprekende bevolking is naar mijn meening een treffend kenmerk. Niet alleen dat wij op iedere honderd man elf vinden, wier haar absoluut rood is, maar op den ondergrond der zwart- en donkerbruin gekleurden kan dezelfde tint worden ontdekt.”