Note 1 — XX. Een brief. Ik raadpleeg een advocaat. De familie Doedelaar.
Reading edition
De wet van 7 Juli 1896 heeft hierin „verandering” gebracht. Daarin wordt bepaald dat de dagvaardingen en alle andere exploiten zullen gedaan worden als volgt:
„Nummer 9. Ten aanzien van de getrouwde, niet van tafel en bed gescheiden vrouw, wat betreft de dagvaardingen en alle andere exploiten, die haar ten verzoeke van haren echtgenoot worden uitgebragt, aan haar in persoon of aan haar werkelijk verblijf, en, wanneer dit is ter woonplaats van haren echtgenoot, alsdan aan haar in persoon, of, zoo de deurwaarder haar aldaar niet vindt, aan het hoofd van het plaatselijk bestuur van die woonplaats, of aan dengene, die hem vervangt, invoege, als in art 2 van dit wetboek is voorgeschreven, terwijl bovendien in dat geval het exploit zal moeten worden aangekondigd in een dagblad der woonplaats van den man, of bij gebreke daarvan van een naburige plaats en een afschrift van die aankondiging zal moeten worden aangeplakt aan de buitenzijde der hoofddeur van het door hem bewoonde huis.”
„Deze aankondiging zal alleen bevatten de dagteekening van het exploit, de aanwijzing van den persoon te wiens verzoeke, en de persoon aan wie het exploit is gedaan, de vermelding van den deurwaarder, die het gedaan heeft en van den persoon aan wie afschrift van het exploit gelaten is; voorts, indien de aankondiging eene dagvaarding betreft, de aanwijzing van den regter voor wien, en van dag en uur der teregtzitting, tegen welke gedagvaard is, en indien de aankondiging de beteekening van eene regterlijke uitspraak of beschikking betreft, de aanwijzing van den regter door wien en van den dag waarop de uitspraak gewezen of die beschikking genomen is. Het aangeplakte afschrift der aankondiging zal op het verzoek van de vrouw door den deurwaarder onmiddellijk moeten verwijderd worden.”
Verder heeft genoemde wet „gunstige”—, ei, mijn hemel!—„gunstigèr” bepalingen betreffende het „onherroepelijk van kracht zijn van een bij verstek gewezen vonnis” en dito-dito.—O, voorwaar, Dirk heeft me verteld dat zandaardappelen van ’t jaar zoo slecht zijn, zoo glazig, zoo heelemaal niet geschikt voor gestampten pot—„gunstiger” condities aangaande de maatregelen „tot behoud der goederen tijdens de procedure tot scheiding van goederen, tot echtscheiding en tot scheiding van tafel en bed”—, maar deze schoone wet trad in werking 1 Januari 1897, toen bovenstaande dialoog al klassiek van ouderdom was. En, melieven, wat beteekent het wanneer zotte bepalinkjes door minder-zotte of èven-zotte vervangen worden? Ik voorspel u dat er eens een tijd zal zijn van simpel verhuisbiljet-aanvragen, dat onze hersenen zóó zwaar zullen groeien, dat het beneden-navelige niet meer van „invloed” zal zijn op eer, overspel etc. Eer mummelt een kikker over Kant, eer groeit een bloem op uwe hand—ei, ei, dit rijmt—, èèr cancaneert de doodsangst in uwe binnenkameren gelijk een dronken krankzinnige, eer drinkt gij wijn uit uw schedel, eer zuigt gij honig uit rots en olie uit kei—vergelijk testament—eer werpt een smousje leeuwen, eer wordt de zee tot een venijngezwel, eer baart een vrouw góúd (tientjes met beeltnis van Wilhelmina Regina), eer wordt het nierenvet der tarwe druivenbloed—, éér perkamenten wetjes, wijze kwijl uit pruimenmonden—, éér sabbelpraatjes eens onvruchtbren mans, het van de aarde allerschoonste, liefde, huwelijk, snoert in drekton van een bindend reglement. O, klootjesvolk, draagt úít het laken uwer dochteren, draagt úít het rood-bevlekt van weggeslagen kuischheid èn bidt tachtig dagen. Wellicht verstaat gij huwlijk ééns als niets meer is onteerd dat is bevrucht, wellicht dààgt eens de Dag in uw ontuchtge harten, zal òns hoereeren ù een lichtnis zijn. ↑