Note 1 — XV. Bezoeken.—Ik verzoen me met Scherp.
Reading edition
De barbier Jacob Doedelaar, praatziek en opdringerig-beleefd, had geen gewetensbezwaren gehad, toen ik ’m ruiterlijk zei dat we niet getrouwd waren, dat Georgine van d’r man ging scheiden.—„Mein vrouw en iek,” zei die: „hebben drie jáár samen geleefd voor wij getrouwd zein.” Wij bewoonden de kamer en de alkoof, gelijkvloers, grenzend aan den winkel, zij de benedenverdieping. We hadden niets met elkaar te maken. Naast de kamer was ’n kleine keuken, die wij voor ons gebruik hadden. Zij kookten hun eigen potje, beneden. Beter kon ’t al niet. Vrijheid. Geen gescharrel van vreemde menschen over den vloer. Georgine, die ’k nog niet anders gezien had dan als café-chantant-zangeres, was hier in die ééne week zoo reusachtig veranderd, dat ’k haar haast niet herkende. Ze was weer net, zei ze, als in de eerste huwelijksmaanden met dien ànderen man, ze voelde zich typisch burgerlijk huismoedertje, maakte alles zelf schoon, de kamer, de alkoof, de keuken en kóókte zelf. Juffrouw Doedelaar mocht niets doen. Die wou ze niet zien. Ze ging met haar om als met een vriendelijk-babbelgrage buurvrouw, maar an de keukenkast mocht zij niet komen. Ellek z’n eigen huishoue … ellek voor zich … dat bleef ’t langst vrinde.… Lachend zag ’k alles gebeuren, die woedende ijver voor ’n blankgeboenden keukenvloer—dat geplas met water—die vreemde kamerhelderheid—die grinnekende regelmaat van opstaan—op tijd eten—op tijd thee—op tijd koffie—op tijd naar bed.—Den vierden dag beweerde Georgine da’k dikker begon te worden en nooit sterker dan in die rustige dagen heb ik gevoeld de walg, die an ’n vervettenden hangbuik vastzit. Maar ’t wèl verzorgde lui-leventje was zoo kwaad niet. Voor ’n man is ’t héél gemakkelijk als ’n vrouw z’n dienstmeid is. De mannen hebben de vrouwen in de gòèie richting opgeleid. Er is geen huisdier op de wereld, béter gedresseerd dan de vrouw1. Bij al dit huiselijk gedoetje van schoonmaken, wrijven, poetsen, plassen was Georgine van ’n verwonderlijke, gelukkige blijheid. Als ze op den grond lag met ’n boezelaar voor, ’n wit jak aan en ònopgemaakte haren—als ze den borstel in den pot met groene zeep stak en ’t houtwerk in een goor, schuimend sop zette, zong ze met opklaterende, luchtige vroolijkheid haar café-chantant-moppen. En dat dee me zoo aan—als ’k dacht dat ze ’t allemaal dee voor mij—da’k soms naast haar ging zitten in het vuile sop en haar zoende tot ze ’t uitgilde. Eens heb ’k ’n stuk gezien, waarin ’n patser-artist voorkwam, die z’n neus optrok voor z’n vrouw, die naar water en groene zeep rook. Wat ’n gelògen stuk. Al wat ’n vrouw doet, waarvan je houdt is goed en mooi.