← Table of contents
Kamerplanten

Note 1 — III. Het Forceeren.

Reading edition

Het forceeren van Hyacinten in potten. Voor het forceeren van Hyacinten in potten moet men als regel slechts zeer fraaie soorten gebruiken, die ieder afzonderlijk in potten van 10 cM. wijdte worden geplant. Van de kleinbollige Romeinsche Hyacint, die, alleenstaande, weinig indruk maakt, plant men er in den regel 3 tot 6 in een weinig grooteren pot (Fig. 272). Voor het forceeren van Hyacinten, die later in bloei moeten zijn, gebruikt men de zoogenaamde “rommel-bollen”; dit zijn minder sterke, vroeg bloeiende soorten zonder namen, die slechts volgens de kleuren gesorteerd zijn. Van dezen “rommel” kan men gewoonlijk drie bollen in een wat grooteren pot planten. Plant men er meer in één pot, dan moet die zóó groot zijn, dat zij elkander nóch raken, nóch drukken. Daar de Hyacinten slechts lange, witte wortels en geen haarwortels maken, plant men ze wel eens in hooge pijpvormige potten (Fig. 102). Dergelijke potten zijn echter zeer leelijk en doen volstrekt geen dienst. De aarde, die men voor de Hyacinten en ook voor de andere bolgewassen gebruikt, moet zandig en niet al te vet zijn. Daar de bollen het voedsel, dat zij voor den bloei noodig hebben, zelf reeds grootendeels verzamelden, is een goede, zandige tuingrond voor hen voldoende. Gewoonlijk gebruikt men een mengsel van twee deelen kleivrije tuinaarde, één deel oude broei- of compostaarde en een half deel zand. Daar de bollen slechts betrekkelijk korten tijd in den pot blijven, behoeft men van drainage niet heel veel werk te maken; enkele scherven onder in den pot zijn voldoende. Men vult bij het oppotten den pot tot over den rand los met aarde, zet den bol daar zóó op, dat hij midden in den pot staat, en drukt hem dan met beide handen in de aarde (Fig. 274)1. De aarde moet goed vast om den bol heengedrukt worden, zoodat men, na het indrukken van den bol, hieraan meestal nog wat moet toevoegen. Is men met het oppotten klaar, dan moet de bol zóó geplant zijn, dat zijn z.g.n. neus niet boven den potrand uitsteekt. Plant men hem te hoog, dan is dat wel niet direct schadelijk, maar het ziet er niet netjes uit. Fig. 275 toont een drogen Hyacinten-bol, een goed opgepotten en een te hoog opgepotten bol. Het oppotten van de vroegste soorten begint in de tweede helft van Augustus; het begin van September is echter nog vroeg genoeg. De middelmatige soorten kunnen nog in October, op zijn allerlaatst zelfs in het begin van November opgepot worden. Is men hiermede gereed en heeft men de potten van etiquetten voorzien, die de namen der soorten dragen, dan worden zij verscheidene keeren goed aangegoten. Hierna graaft men de potten, op de medegedeelde wijze onder den grond, of men zet ze op een donkere plek in den kelder. Doet men het laatste, dan brengt men over de tegen elkander gezette potten een handdikte aarde of wel, men zet over iederen beplanten een kleineren ledigen pot (Fig. 276); in het eerste geval moet men de aardbedekking nu en dan aangieten, opdat zij matig vochtig blijft; in het laatste geval moet nu en dan gegoten worden. Aan de bedekking met aarde is de voorkeur te geven, daar door den druk hiervan voorkomen wordt, dat de zich ontwikkelende wortels den bol uit de aarde lichten. In ieder geval moeten de opgepotte bollen donker en gelijkmatig vochtig staan.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings