Note 4 — Waarin wij een bezoek brengen aan den edelman Quannevan.
Reading edition
De beide schepenen zaten eenigszins op heete kolen. Zij althans waren geen vrienden van den Kabeljauwschgezinden Jan Van Arkel, maar mochten hiervan vooralsnog geen blijken geven4. Om het gesprek een andere wending te geven, vertelde Roelofsz. iets van de processie, die onlangs in de Haarstraat had plaats gevonden, bij gelegenheid dat de pastoor van de Martinus- en Vincentius-kerk (de Groote Kerk) den arm van den Heiligen Apolinarus, bisschop van Ravenna, omdroeg. Twee kapelaans, die het beeld droegen van Onze Lieve Vrouw, dat een kostelijk „Tapijtekleed zeer kunstig geborduurd” aanhad, struikelden en vielen voorover op den grond, maar ten bewijze van de wonderbare kracht van Onze Lieve Vrouwe was het beeld niet alleen onbeschadigd en ongevlekt gebleven, maar zelfs was het niet eens gevallen en bleef zoo lang in de hoogte zweven, totdat de kapelaans weder opgestaan waren en het dragen konden. Quannevan, die vele vreemde landen gezien had en, overeenkomstig de duisternis van het Christendom dier dagen, veel geloof sloeg aan mirakelen, verhaalde nu op zijn beurt wat hij in Italië aan wonderen gezien had, en geraakte daarbij zóó in vuur, dat hij niet eens bemerkte, hoe de deur was opengegaan en de verwachte gast was binnengekomen, totdat deze, buigend en groetend, vóór de tafel stond.