Note 2 — Een stuk uit de geschiedenis, dat vooral niet overgeslagen mag worden.
Reading edition
Behalve vele eereposten, onder andere het stadhouderschap over Holland, Zeeland en Friesland2, bekleedde hij ook het rentmeesterschap van Holland, welke betrekking hem door Hertog Albrecht was opgedragen en die bij hem in goede handen was, daar deze graaf van Holland dikwijls uit geldgebrek genoodzaakt was, zijn toevlucht tot dien rijken rentmeester te nemen en zich van hem aanzienlijke sommen liet voorschieten. Met weet niet met juistheid, of de aanleiding tot den oorlog tusschen den Hollandschen graaf en Jan Van Arkel hierin moet gezocht worden, hetgeen overigens geen wonder zou zijn, daar geld zoowel vrienden als vijanden maakt. Eerst was men van meening, dat de twist ontstond, doordat Jan Van Arkel geweigerd zou hebben, rekening en verantwoording van zijn rentmeesterschap te doen—doch algemeen zijn de geschiedschrijvers hiervan teruggekomen, omdat het gebleken is, dat Jan Van Arkel slechts een jaar rentmeester is geweest en in het begin van 1394 rekening en verantwoording heeft gedaan, waarbij uitkwam, dat hertog Albrecht hem nog een aanzienlijke som schuldig bleef3. De waarheid zal hier in het midden liggen: Jan Van Arkel, die den hertog deze gelden niet wilde kwijtschelden, bleef op de betaling daarvan aandringen, en de hertog, die de eer aan zich wilde behouden, weigerde de rekening en verantwoording te erkennen. Daarbij kwam nog iets, dat van zeer veel belang is. Hertog Albrecht, benevens zijn zoon, de graaf van Oostervant (later Willem VI), behoorden uit den aard der zaak tot de Hoeksche (de conservatieve partij), terwijl de trotsche Jan Van Arkel, misschien alleen uit overmoed geneigd het regeerend Huis te dwarsboomen, de partij der Kabeljauwschen (liberalen) had verkozen. Nu spreekt het vanzelf, dat er niets bij de regeeringspartij kon gebeuren, of Jan Van Arkel wist iets ter berisping te berde te brengen, en inderdaad gebeurde er, helaas, dikwijls iets in Den Haag, dat sterke afkeuring verdiende. Zoo bijvoorbeeld liet zich Hertog Albrecht zeer beheerschen door een aanzienlijke jonkvrouw, Aleid Van Poelgeest genaamd, en deze dame werd op zekeren avond met haar hofmeester, Willem Kuser, in Den Haag vermoord (21 Sept. 1393). Dadelijk na dien moord verzuimde Jan Van Arkel niets, om Albrechts zoon, die de vlucht had genomen en zeker niet geheel onschuldig was, bij den vader in het hatelijkste daglicht te stellen, en Hertog Albrecht had dan ook in den beginne de medeplichtigen aan den moord met gestrengheid vervolgd,—maar later had hij de vervolging gestaakt en zich weder met zijn zoon verzoend (1395). De graaf van Oostervant (Albrechts zoon), die aan Jan Van Arkel de schuld gaf van de plaats gehad hebbende oneenigheid, hitste nu zijn vader en al de Hoeksche edelen tegen Jan Van Arkel op en ging zelfs zóó ver, dat hij van Albrecht verkreeg, dat deze de heerlijkheden van Arkel in Holland verbeurdverklaarde en hem ten eeuwigen dage uit Holland verbande. Thans greep Jan Van Arkel naar het zwaard, en een aanzienlijke krijgsmacht op de been brengende, viel hij in Holland en verwoestte verscheidene plaatsen. Graaf Willem verzamelde de Haarlemmers, de Kennemers, de Leidenaars en Amsterdammers, die hij, onder bevel van Hendrik Van Wassenaar, burggraaf van Leiden, naar het Arkelsche gebied zond, waar zij niet minder verwoesting teweegbrachten, maar door de Arkelschen met donderbussen begroet en tot de vlucht genoodzaakt werden. Nu nam Hertog Albrecht scherpere maatregelen. Gesterkt door hulpbenden uit Engeland, Kleef en Utrecht, sloeg Albrecht het beleg voor Gorcum (29 Juni 1402) en niettegenstaande de dappere verdediging zag Jan Van Arkel zich genoodzaakt, het verdrag aan te nemen, dat Jan Van Beieren, bisschop van Luik, had bewerkt. Bij dit verdrag was bepaald, dat Jan Van Arkel Hertog Albrecht en diens zoon binnen Gorcum op de knieën vergiffenis moest vragen en dat het vaandel des Hertogs één dag op den Arkelschen burcht zou wapperen.