← Table of contents
Jonker Willem van Arkel

Note 3 — De uitkomsten van verraad en verzoening.

Reading edition

Het had dus allen schijn, dat Hertog Reinout langs staatkundigen weg, dat is niet met het zwaard, en in lengte van tijd een verzoening tusschen den graaf van Holland, de Arkels en Gorcummers zou bewerkt hebben,—maar de mensch wikt en God beschikt, en het zou geheel anders loopen dan het in de bedoeling van Hertog Reinout lag. Ik heb u daar straks medegedeeld, dat de verraders besloten hadden, Graaf Willem de heerlijkheid van Gorcum op te dragen. De graaf van Holland ontving die opdracht, toen het verdrag reeds tot stand gekomen was, en het zij nu, dat hij hiervan spijt had, of dat de saamgezworenen zeer bij hem aandrongen, of dat hij meende machtig genoeg te zijn, Hertog Reinout het hoofd te kunnen bieden,—genoeg, hij liet zich verleiden, het bestand te schenden, nam de opdracht van Gorcum aan en vertrok derwaarts, om zich als landsheer binnen de stad te doen huldigen.3 Hij nam zijn tocht over Woudrichem, vergezeld van vele ridders en edelen, en stak van daar over naar Gorcum, waar hij—gelijk een kroniekschrijver het uitdrukt—zijn optocht nam tusschen den burcht en de stad, op een plaats, de Quelling genaamd.4 Inmiddels hadden de verraders, die wel degelijk vooraf er op aangedrongen hadden, de tachtig duizend Fransche kronen van Graaf Willem ontvangen, welk geld, benevens de kosten der inhuldiging, uit den verkoop van lijfrenten ten laste van Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam, Gouda en Rotterdam gevonden werd. De Hollandsche graaf werd zeer plechtig en feestelijk ingehaald. De geestelijkheid met Jan Gerardijn aan het hoofd ontving hem aan de poort, en de Hollandsche banieren wapperden van burcht, kerktoren en stadhuis, terwijl er van tijd tot tijd met donderbussen geschoten werd, om de vreugde te vergrooten. In de kerk komende, nam de proost Graaf Willem VI den eed af, om de stadshandvesten, vrijheden en rechten te zullen beschermen en onderhouden, en vervolgens trok de nieuwe landsheer naar den burcht, waar hij ook gehuldigd werd. Graaf Willem meende echter nog iets te moeten doen, om zijn getrouwe Gorcummers—de verraders—te beloonen, en sloeg de vier gebroeders Herlaar, Ambrosius, Woutersz en Jan Van Donk tot ridders. Maar toen hij, in gezelschap van deze nieuwe ridders, naar Leerdam reed, om zich ook aldaar te doen huldigen, zeide hem de heer Van Asperen, die over Leerdam het bevel voerde en met minachting op deze verraders nederzag: „Edele, machtige vorst. Gij hebt deze kooplieden tot ridders gemaakt, maar in plaats van een vergulden halsband zou hun als verraders en dieven beter elk een bast (strop?) om den hals passen. Wacht u, om bij hen te vernachten, want wat zij hun geboren landsheer gedaan hebben, zullen zij u ’t avond of morgen ook nog doen. Stel geen vertrouwen op zulke kooplieden.” De graaf antwoordde hierop niets; hij vergenoegde zich met eens te glimlachen, daar hij misschien meer het verraad dan de verraders beminde.5

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings