Note 1 — XVII.
Reading edition
Jan Pietersz Koppelstok, schipper en haringkooper, „een stout en kregel kerel”, als de tijdgenoot hem noemt, die ook het veer op Maaslandsluis1 bediende, en die reeds lang in ’t geheim „de Geuzerije” was toegedaan, had kort na zijn noenmaal de veerbel aan de overzijde hooren luiden en was naar dien anderen oever overgestoken, om een paar kooplieden af te halen, die zich naar den Briel wenschten te begeven. Hij had al lang de vreemde schepen in ’t oog, die daar naderden van uit het Westen en er speelde een glimlach om zijn anders zoo stroeven mond, toen hij die vlaggen en wimpels zag.