← Table of contents
Jacob Martens

Note 1 — XVI.

Reading edition

Thans was het vreedzame koopvaardijscheepje echter voor den oorlog uitgerust en het zag er grimmig genoeg uit. Op de voorplecht stond een lang stuk geschut, een culverijn, op een affuit van zware balken. Een kist, gevuld met kogels, ijzeren maar ook steenen, stond er naast, en de achterzijde bood ruimte voor een zestal baskamers, want het stuk werd van achteren geladen, door de baskamer, die de lading bevatte, in de daartoe bestemde opening te laten zakken en die dan met ijzeren wiggen en zware beugels te bevestigen. Langs de verschansing waren rekken aangebracht, waarin korte pieken, enterbijlen en houwers hingen. In een rek bij den mast stonden een twaalftal knevelspeten—knotsen of lange knuppels, voorzien van een vinnige stalen punt1—en in een tweede een rij handbussen. Door middel van boevennetten,—sterke netten van taai touw—die thans langs de verschansing lagen geschoren, maar in tijd van nood daarboven konden worden uitgespannen, kon men in het gevecht eene entering voorkomen, maar de grimmige bemanning, bestaande uit een dertigtal gewapende zeelieden, was zeker meer den aanval dan de verdediging gewoon! ’t Was wonder, dat het kleine schip zooveel mannen kon bergen. Verscheidenen waren verminkt of hadden litteekens, enkelen droegen reeds de zilveren halve maan op de muts, met het veelzeggende opschrift: „Liever Turksch dan Paapsch!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings