Note 2 — Zevende Hoofdstuk.
M. P. (Mark Prager) Lindo translation
Op eene vlakte buiten den zuider ingang, gevormd door een natuurlijke verhevenheid van den grond, waren vijf prachtige tenten opgeslagen, versierd met donker roode en zwarte wimpels, de kleuren, welke de vijf uitdagende ridders gekozen hadden. De touwen der tenten waren van dezelfde kleur. Vóór iedere tent hing het schild van den ridder, aan wien ze behoorde, en daarnaast stond zijn schildknaap, vermomd als een wilde, of boschman, of in eenige andere zonderlinge kleeding, volgens den smaak van zijn meester en de rol welke deze gedurende het spel wilde aannemen2. De middelste tent, als de eereplaats, was toegewezen aan Brian de Bois-Guilbert, wiens naam in alle ridderspelen, niet minder dan zijne betrekking tot de ridders, welke dezen wapengang ondernomen hadden, hem gereedelijk onder het getal der uitdagers, en zelfs tot aanvoerder had doen aannemen, hoewel hij slechts sedert korten tijd zich bij hen gevoegd had. Aan één kant van zijn tent was die van Reginald Front-de-Boeuf en van Richard de Malvoisin, en aan den anderen was de tent van Hugo de Grantmesnil, een edele uit de buurt, wiens voorvader Opper-Ceremoniemeester van Engeland geweest was, ten tijde van den Veroveraar en van zijn zoon, den Rooden Willem. Ralph de Vipont, een ridder van St. Jan van Jeruzalem, die eenige bezittingen had te Heather, nabij Ashby-de-la-Zouche, bezette de vijfde tent. Van den ingang in het strijdperk leidde een langzaam oploopende weg, tien el breed, naar de hooge vlakte, waarop de tenten stonden. Deze was van beide kanten met palissaden omgeven, evenals de ruimte vóór de tenten, en het geheel werd door gewapenden bewaakt.