← Table of contents
Ivanhoe

Note 1 — Zeven-en-dertigste Hoofdstuk.

M. P. (Mark Prager) Lindo translation

“Eerwaarde en dappere mannen, Ridders, Preceptoren, en Leden van deze Heilige Orde, mijn broeders en mijn kinderen!—gij ook edele en vrome schildknapen, die er naar streeft om eens dit heilige kruis te dragen!—en gij ook, Christenbroeders van allen rang!—verneemt, dat het geen gebrek aan macht is, welke de bijeenroeping dezer vergadering veroorzaakt heeft, want, hoe onwaardig onze persoon ook zij, is ons evenwel met dezen staf volmacht gegeven, om alles wat het welzijn van deze onze heilige Orde betreft, te beoordeelen en te vonnissen. St. Bernardus heeft in den regel van onzen ridderlijken en godsdienstigen stand gezegd, in het negen-en-vijftigste Hoofdstuk1, dat hij niet wilde, dat de broeders in een raad zouden bijeengeroepen worden, dan met den wil en op bevel van den Grootmeester; terwijl hij het ons overlaat, zooals aan die waardige vaders, welke ons in deze onze heilige bediening zijn voorafgegaan, om de gelegenheid, den tijd en de plaats te bepalen, wanneer een kapittel van de geheele Orde, of eenig gedeelte er van zal worden gehouden. Ook is het in al zoodanige zaken onze plicht den raad onzer broeders te hooren, en voorts naar ons eigen goeddunken te handelen. Zoodra echter de woedende wolf op onze kudde aanvalt en een lid er van heeft weggesleept, dan is het de plicht van den goeden herder, om zijne makkers bijeen te roepen, opdat ze met bogen en slingers den aanvaller verdrijven, volgens onzen welbekenden regel, dat de leeuw altijd moet worden verslagen. Wij hebben derhalve in onze tegenwoordigheid gedagvaard eene Joodsche vrouw, met name Rebekka, dochter van Izaäk van York, eene vrouw, berucht door haar hekserijen en tooverijen, waardoor ze het bloed en het brein heeft betooverd niet van een boer, maar van een ridder,—niet van een wereldlijken ridder, maar van een ridder, aan den dienst des Tempels toegewijd;—niet van een eenvoudig ridder, maar van een Preceptor van onze Orde, den eerste in roem, zoowel als in rang. Onze broeder Brian De Bois-Guilbert is ons en allen, die mij hooren, wel bekend als een waardig en ijverig kampvechter van het kruis, wiens arm menige dappere daad in het Heilige Land verricht, en de heilige oorden door het bloed der ongeloovigen, die ze bewoonden, van bezoedeling gezuiverd heeft. Niet minder dan zijne dapperheid en krijgskunde is de schranderheid en voorzichtigheid van onzen broeder aan zijn medebroeders gebleken; in zooverre, dat ridders, zoowel in het Oosten als in het Westen, Bois-Guilbert een man genoemd hebben, die wèl als onze opvolger in het voeren van dezen staf in aanmerking zou kunnen komen, wanneer het den Hemel behagen zal, ons te verlossen van den last, dien te dragen. Indien men ons zeide, dat zulk een man, zóó geëerd en zóó eerwaardig, plotseling alle achting voor zijn karakter, zijne gelofte, zijne broeders, zijne vooruitzichten verwerpende, een Joodsch meisje tot zich genomen, en in dit schandelijk gezelschap eenzame plaatsen bezocht had; hare persoon, ten koste van de zijne, verdedigd had, en kortom zoodanig verblind en verzot was, dat hij haar zelfs in een van onze Preceptorijen gebracht had; wat zouden wij dan anders zeggen, dan dat de edele ridder door eenigen boozen geest bezeten, of door eenige boosaardige betoovering verstrikt was?—Indien wij het anders konden veronderstellen, denkt dan niet, dat rang, moed, vermaardheid, of eenige aardsche bedenking ons zou weerhouden om hem met straf te bezoeken, opdat de booze mocht worden uitgedreven, volgens den tekst: Auferte malum ex vobis.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings