Note 3 — Vijf-en-dertigste Hoofdstuk.
M. P. (Mark Prager) Lindo translation
Maar, bij den heiligen Tempel! bij den ijver, welke mijne kracht en mijn leven, ja, de zenuwen en het merg mijner beenderen verteerd heeft,—bij dienzelfden heiligen Tempel zweer ik u, dat behalve u en nog een, welke de oude, strenge tucht van onze Orde nog handhaven, ik geen broeder ken, die ik in mijn hart dien naam waardig keur. Wat zeggen onze wetten, en hoe volgen onze broeders die op? Ze mogen geen ijdel of wereldsch sieraad dragen, geen helmteeken, geen goud aan stijgbeugels of toom; maar wie vertoont thans meer pracht en weelde, dan de arme krijgslieden van den Tempel? Het is hun verboden, op de valkenjacht te gaan, dieren met den pijl te vellen; op den jachthoren te blazen, en hun paard voor de jacht te gebruiken, maar wie is nu zoo bedreven als zij in alle ijdele vermaken van wild- en valkenjacht, en in alle genoegens, die bosch en rivier opleveren?—Het is hun verboden iets te lezen, zonder verlof van hunne meerderen; of naar iets te luisteren, behalve de Heilige Schriften, die in het Refectorium voorgelezen worden, en zie, ze geven gehoor aan minnezangers en vermaken zich met dwaze romances. Zij moesten tooverij en ketterij uitroeien,—en zie! thans zijn zij ijverig bezig, om de verwenschte kabbalistische geheimen der Joden en de tooverij der Heidensche Saracenen te beoefenen. Eenvoudige kost is hun voorgeschreven; wortels, kruiden, gerstenat, en slechts driemaal in de week vleesch, omdat het dagelijksch gebruik er van een schandelijk bederf voor het lichaam is, en zie! hun tafels bezwijken onder het gewicht der lekkerste spijzen.—Hun drank moest water zijn; en thans beroemt zich ieder vroolijke gast, dat hij drinkt als een tempelier! Deze tuin zelf, gevuld met kruiden en boomen, die uit het Oosten zijn overgebracht, paste beter voor den Harem van een ongeloovigen Emir, dan voor de plek, welke Christenmonniken moesten gebruiken voor het planten hunner keuken-groenten.—En, o Koenraad! welk een geluk zou het nog zijn, indien de vergetelheid der tucht niet verder ging!—Het is u bekend, dat men ons verboden heeft die vrome vrouwen te ontvangen, welke in den beginne als zusters bij onze Orde ingelijfd waren, omdat, zooals het zes-en-veertigste hoofdstuk zegt, de Satan, door vrouwelijk gezelschap, menigeen van het rechte pad der zaligheid heeft afgetrokken. Ja, zelfs in het laatste hoofdstuk, (als het ware de slotsom van de zuivere, onbevlekte leer van onzen gezegenden stichter), is het ons verboden, zelfs aan onze moeders en zusters den kus der liefde te geven, ut ommium mulierum fugiantur oscula!—Ik schaam mij over de verdorvenheid, die onder ons heerscht, te spreken,—ja zelfs er aan te denken! De zielen onzer deugdzame stichters, de schimmen van Hugo de Payen en Godfried de Saint Omer, en van de zalige Zeven, die zich het eerst vereenigden, om hun leven aan den dienst van den Tempel te wijden, worden in de zaligheid, welke zij in het Paradijs genieten, gestoord. Ik heb hen gezien, Koenraad, in nachtelijke droomen;—hunne heilige oogen stortten tranen over de zonden en dwaasheden hunner broeders, en de schandelijke losbandigheden, waarin zij zich dompelen. Beaumanoir! riepen zij; gij slaapt,—ontwaak! Er ligt een schandvlek op het huis des Tempels, schandelijk en groot, als het teeken, dat oudtijds op de huizen, waar de melaatschheid geheerscht had, gemaakt werd.3 De soldaten van het kruis, die den blik der vrouwen, gelijk het oog der basilisken moesten vermijden, leven in openlijke zonde, niet alleen met de vrouwen van hun eigen stam, maar met de dochters der vervloekte Heidenen, en nog erger vervloekte Joden. Beaumanoir, gij slaapt; op! en wreek ons!—Verdelg de zondaars, mannen en vrouwen!—Grijp het zwaard van Phineas!—De verschijning verdween, Koenraad, maar toen ik ontwaakte, kon ik nog het gekletter der wapenrustingen hooren, en het golven der witte mantels zien.—En ik wil naar hun bevel handelen, ik wil den Tempel zuiveren, en de onreine steenen, waarin de pest zit, zal ik wegnemen en uit het gebouw werpen!”