Note 1 — Vier-en-dertigste Hoofdstuk.
M. P. (Mark Prager) Lindo translation
“Kom, Waldemar,” zei Prins Jan, “ik ben een ongelukkig vorst. Mijn vader, Koning Hendrik, had getrouwer dienaars.—Hij behoefde slechts te zeggen, dat hij door een oproerigen priester gekweld werd, en het bloed van Thomas-à-Becket, ofschoon een heilige, werd gestort op de trappen van zijn eigen altaar.—Tracy, Morville, Brito,1 getrouwe en moedige onderdanen, uwe namen en uw geest zijn uitgestorven!—en ofschoon Riginald Fitzurse een zoon heeft nagelaten, zoo heeft deze zijn vaders getrouwheid en moed vergeten; hij is ontaard.”