Note 1 — Elfde Hoofdstuk.
M. P. (Mark Prager) Lindo translation
Uit het dorp hoorde men het verwijderde geluid der uitgelatenste vroolijkheid, soms met gelach vermengd, soms door een gil afgebroken, en dan weer door wilde muziek afgewisseld. Al deze klanken, welke van de ongeregeldheid in de stad getuigden, die opgevuld was met de krijgshaftige edelen en hun losbandig gevolg, verwekten eenige ongerustheid bij Gurth. “De Jodin had gelijk,” zei hij bij zich zelven. “Bij den Hemel en St. Dunstan, ik wenschte, dat ik de reis met mijn schat veilig achter den rug had! Hier zijn zoo vele, ik wil niet zeggen zwervende dieven, maar zwervende ridders en knapen, zwervende monniken en minnezangers, zwervende goochelaars en potsenmakers, dat een mensch met een enkele mark op zak, in gevaar zou zijn,—hoeveel meer dus een arme zwijnenhoeder met een geheele beurs vol zechinen; was ik maar eerst uit de schaduw van die verwenschte struiken, dan kon ik tenminste de volgelingen van St. Nikolaas1 zien, eer ze mij op den hals vallen.”