Note 1 — Een-en-twintigste Hoofdstuk.
M. P. (Mark Prager) Lindo translation
“De verlegen gezant,” ging Cedric voort, zijn verhaal met vuur vervolgende, ofschoon het bij zijn toehoorder geene belangstelling verwekte, “begaf zich op weg, om aan Tosti en zijn bondgenoot het onheil voorspellende antwoord van zijn beleedigden broeder over te brengen. Toen was het, dat de muren van Stamford en de bloedige stroom van de Welland, in de voorspellingen beroemd,1 dat verschrikkelijke gevecht aanschouwden, in hetwelk èn de Koning van Noorwegen èn Tosti sneuvelden, na onversaagden moed ten toon gespreid te hebben, met tien duizend hunner dappere volgelingen. Wie zou gedacht hebben, dat op den dag zelven van die stoute overwinning, dezelfde wind, in welken de zegepralende Saksische banieren wapperden, de Normandische zeilen vulde, en naar de noodlottige stranden van Sussex dreef?—Wie zou gedacht hebben, dat Harald, binnen weinige dagen, zelf niet meer van zijn koninkrijk zou bezitten, dan wat hij in zijn toorn, aan den Noorweegschen overweldiger toegekend had?—Wie zou gedacht hebben, dat gij, edele Athelstane, die uit Haralds bloed afstamt en dat ik, wiens vader niet de geringste onder de verdedigers van den Saksischen troon was, de gevangenen van een ellendigen Normandiër zouden worden, in dezelfde zaal, waar onze voorouders een zoo groot feestgelag vierden?”