Note 1 — Drie-en-twintigste Hoofdstuk.
M. P. (Mark Prager) Lindo translation
De schilderij, welke de schrijver van de Saksische Kroniek ophangt van de wreedheden onder de regeering van Koning Steven, uitgeoefend door de groote baronnen en heeren van kasteelen, welke allen Normandiërs waren, levert een sterk bewijs op van de buitensporigheden, waartoe zij in staat waren, als hunne driften gaande gemaakt werden. “Zij onderdrukten het arme volk geweldig, door het bouwen van kasteelen; en als deze voltooid waren, bezetten zij ze met goddelooze mannen, of liever duivels, welke alle mannen en vrouwen grepen, die zij waanden eenig geld te bezitten, hen in de gevangenis wierpen, en hun wreeder kwellingen aandeden, dan ooit de martelaars ondergaan hebben. Sommigen deden zij stikken in de modder, anderen hingen zij bij de voeten, het hoofd, of de duimen op, en staken vuur onder hen aan. Zij bonden sommigen met touwen vol knoopen het hoofd, totdat zij hun de hersens indrukten, terwijl zij anderen in kerkers wierpen, vol slangen, adders en padden.”1 Maar het zou wreed zijn om den lezer de straf op te leggen, het overige van deze beschrijving te doorlezen.