Note 2 — Derde Hoofdstuk.
M. P. (Mark Prager) Lindo translation
“Bois-Guilbert,” zeide Cedric, altijd in zich zelven brommende, iets dat hij zich aangewend had door altijd onder zijn minderen te leven, zoodat hij meer met zich zelven sprak, dan met de menschen rondom hem.—“Bois-Guilbert? Die naam is wijd en zijd bekend—ten goede en ten kwade. Men zegt, dat hij niet onderdoet in dapperheid voor de heldhaftigsten van zijn orde; maar dat hij met hunne gewone ondeugden, hoogmoed, verwaandheid, wreedheid en wellust is bevlekt; dat hij een hardvochtig man is, zonder vrees voor de wereld, en zonder ontzag voor den hemel. Dit zeggen de weinige krijgslieden, welke van Palestina zijn teruggekeerd.—Goed; het is maar voor één nacht; hij zal ook welkom zijn.—Oswald, tap van den oudsten wijn; zet de beste mee, den meest schuimenden appelwijn, het dikste morat, het welriekendste pigment2 op tafel; vul de grootste drinkhorens. Tempelieren en Abten houden van goeden wijn en goede maat. Elgitha, zeg aan Jonkvrouw Rowena, dat wij haar dezen avond niet in de zaal zullen verwachten, tenzij het haar bijzonder verlangen zij, hier te komen.”