Note 3 — Romaansche bouwkunst1.
Reading edition
Eenige van de vroeg-Romaansche overblijfselen van het Lombardische tijdperk en van de periode van Karel den Groote zijn reeds beschreven. Gedurende den daarop volgenden tijd, de regeeringen der Karolingers en de Donkere Eeuwen, onderging de architectuur, zooals alle andere kunsten, een totale eclips, die ongeveer twee eeuwen duurde3. Te Rome duurde de duisternis inderdaad nog veel langer. Wij hooren van restauraties en reconstructies, waarvoor de antieke gebouwen onbarmhartig werden geplunderd, en eenige mozaïeken en muurschilderingen van dezen tijd zijn nog over; maar tot de twaalfde eeuw of later, bleef Rome in diepe duisternis gehuld, terwijl in andere deelen van Italië, zoowel in het noorden als in het zuiden, een nieuwe, schitterende architectuur snel opkwam; deze bouwkunst ontwikkelde zich tot wondere volmaaktheid uit de Romeinsch-Lombardische architectuur, die reeds in de dagen van Koningin Theodelinda (c. 600) was ontstaan, doch in haar groei blijkbaar is tegengehouden tot het einde van de tiende eeuw, niettegenstaande een tijdlang de kunsten en wetenschappen door Karel den Groote met zooveel geestdrift zijn begunstigd. Misschien heeft de angst, dat de wereld in het jaar 1000 na Chr. te gronde zou gaan, eenigermate het Christendom verlamd en de meening verbreid, dat de oprichting van aanzienlijke kerken overbodig was; maar, wat ook de redenen mogen geweest zijn, kort na het jaar 1000 werd bijna de geheele Christelijke wereld aangegrepen door een plotseling verlangen om prachtige kerken te bouwen—om de oude plunje weg te gooien, zooals Rodolf Glaber (omstreeks 1045) schrijft, en een nieuw, wit gewaad aan te trekken (candidam ecclesiarum vestem induere).