Note 1 — 476–568.
Reading edition
Theoderik1 behoorde tot het koninklijke geslacht van Amala2, dat, volgens Jordanes, beweerde af te stammen van Capt, een van de voorvaderen, halfgoden of Anses—blijkbaar de “Asen” van de Skandinavische Mythologie, het “bovenmenschelijke” geslacht, dat Asgard, de gaarde der Asen, in de Gouden Eeuw bewoonde. Hij was, zeide men, een rechtstreeksche afstammeling, in de tiende generatie, van Hermanrik, den stichter van het groote Gotische Rijk. Toen hij acht jaar was, werd hij door zijn vader Theodemir als gijzelaar naar Constantinopel gezonden, waar hij tien jaar bleef—een feit, dat zijn sympathie voor Romeinsche en Byzantijnsche beschaving volkomen verklaart. Theodemir stierf in 474 en zijn eenige wettige erfgenaam was naar Italië en Gallië gegaan om zijn geluk als krijgsman te beproeven; derhalve volgde Theoderik, ofschoon hij geen zoon was van een wettige vrouw, zijn vader als vorst der Oost-Goten op.